|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/1072 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. R.L.J.J. Vereijken, werkzaam bij Stichting
Rechtsbijstand te Roermond, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Roermond op 12
januari 2004, registratienummer 03/855, tussen partijen gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 16 april 2004 ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 mei 2005, waar
namens appellante is verschenen, haar bedrijfsleider [naam
bedrijfslijder], bijgestaan door mr. Vereijken voornoemd. Gedaagde heeft
zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. R. Hofland,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante exploiteert een glastuinbouwbedrijf in het kweken van
aardbeien- en aspergeplanten en vruchtbomenonderstammen. In de jaren
1998 en 1999 hebben werknemers van Allzend Uitzendbureau B.V. (Allzend)
werkzaamheden voor appellante verricht. Uit een door de opsporingsdienst
van Gak Nederland B.V. en de Fiscale Inlichtingen bij Allzend gehouden
onderzoek is gebleken dat Allzend in gebreke is gebleven bij de afdracht
van premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Afgaande op
verkregen inlichtingen uit een bedrijfsbezoek op 10 september 2002 door
een looninspecteur van gedaagde bij appellante alsmede op grond van
onderzoeksrapporten bij Allzend en rapporten van voornoemde
opsporingsdienst heeft gedaagde de relatie tussen appellante en Allzend
gekwalificeerd als inlening van personeel.
Bij besluit van 30 december 2002 is appellante op grond van artikel 16a
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) over de jaren 1998 en
1999 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door Allzend in verband
met door haar werknemers voor appellante verrichte werkzaamheden
verschuldigde premies ten bedrage van in totaal € 14.382,56 (f
31.695,00). Met het besluit van 18 februari 2003 is het bedrag van de
aansprakelijkstelling in neerwaartse zin bijgesteld tot een bedrag van
in totaal € 11.461,13 (f 25.257,--), aangezien gebleken was dat in het
besluit van 30 december 2002 over het jaar 1998 ten onrechte geen
rekening was gehouden met de franchise over het wachtgeld. Bij besluit
van 5 juni 2003 heeft gedaagde het besluit met betrekking tot de
hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van inlening, met bijstelling van
het bedrag zoals genoemd in het besluit van 18 februari 2003,
gehandhaafd.
Bij aangevallen uitspraak van 12 januari 2004 heeft de rechtbank
geoordeeld dat gedaagde terecht en op goede gronden appellante met
toepassing van artikel 16a van de CSV hoofdelijk aansprakelijk heeft
gesteld voor de over de jaren 1998 en 1999 niet voldane premieschulden,
zodat de namens appellante aangevoerde beroepsgronden niet hebben kunnen
leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
De Raad stelt vast dat de in hoger beroep van de kant van appellante
aangevoerde grieven in essentie een herhaling zijn van hetgeen in het
geding in eerste aanleg is aangevoerd. De grieven van appellante
beperken zich tot de vraag of er sprake is geweest van inlening en met
name of de werknemers van Allzend onder leiding en toezicht van
appellante werkzaam zijn geweest zoals bedoeld in artikel 16a, eerste
lid, van de CSV. Namens appellante wordt betwist dat de werknemers van
Allzend onder haar leiding en toezicht werkzaam zijn geweest. De door
haar gegeven aanwijzingen zoals in welke kas dan wel welk veld de
werkzaamheden dienden te geschieden alsmede hoe deze werkzaamheden
dienden plaats te vinden, kunnen niet gezien worden als leiding en
toezicht als bedoeld in eerdergenoemd artikel. De bemoeienissen
bestonden slechts hierin dat af en toe bij de voorman van Allzend werd
geïnformeerd hoe de werkzaamheden verliepen. Deze voorman gaf gedurende
de werkzaamheden, mede vanwege taalproblemen, de instructies aan de
werknemers. Bovendien waren de werknemers ter zake deskundig en waren
zij vaak beter op de hoogte welke werkzaamheden er verricht moesten
worden dan de opdrachtgever. Daarbij was het werk niet zonder meer
eenvoudig van aard nu dit nauwgezet diende te worden uitgevoerd teneinde
de planten niet te beschadigen. Concluderend kan dan ook niet gesproken
worden van enige concrete structuur en consistentie in het geven van
aanwijzingen waardoor er geen sprake is van leiding en/of toezicht zoals
is bepaald in artikel 16a, eerste lid, van de CSV.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is gelet op het bestreden besluit en zich beperkend tot de
hiervoor omschreven grieven van appellante, met gedaagde en de rechtbank
en op de overwegingen die deze rechtbank ten aanzien van de grieven van
appellante heeft gebezigd, van oordeel dat gedaagde appellante op juiste
gronden hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld op grond van artikel 16a,
eerste lid, van de CSV. Uit de gedingstukken komt naar het oordeel van
de Raad genoegzaam naar voren dat het in de onderhavige situatie met
name ging om de inzet van personeel. Voorts blijkt uit de facturen dat
op uurbasis werd gefactureerd. Gelet op ’s Raads uitspraak van 29
november 2001, 99/4114 ALGEM, gepubliceerd in RSV 2002/58, wijzen deze
omstandigheden op inlening van personeel als bedoeld in artikel 16a,
eerste lid, van de CSV.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad (zoals verwoord in de
uitspraak van 21 januari 1987, gepubliceerd in RSV 1987, 164) ligt het
in situaties als de onderhavige op de weg van de inlener om aan te tonen
dat er geen sprake is geweest van inlening. Appellante heeft dat bewijs
niet kunnen leveren. Uit de gedingstukken is naar het oordeel van de
Raad genoegzaam gebleken dat Allzend werknemers ter beschikking heeft
gesteld aan appellante. Voorts is de Raad van oordeel dat de
werkzaamheden werden uitgevoerd onder leiding en toezicht van
appellante. De Raad wijst in dit verband op de zich onder de
gedingstukken bevindende Vragenlijst Premieplichtige, op de Vragenlijst
Derde Wet Ketenaansprakelijkheid alsmede op het getuigenverhoor van 14
maart 2000 van [naam bedrijfslijder], bedrijfsleider van appellante,
zoals deze is afgelegd in kader van het opsporingsonderzoek van Gak
Nederland B.V. en de Fiscale Inlichtingen bij Allzend. Uit deze stukken
blijkt dat namens appellante voor de aanvang van de werkzaamheden werd
meegedeeld welke werkzaamheden er moesten worden uitgevoerd. Dat de
werkzaamheden niet onder direct toezicht van appellante werden
uitgevoerd, maar indirect onder leiding van een voorman van Allzend,
maakt nog niet dat hier geen sprake is van leiding en toezicht als
bedoeld in artikel 16a van de CSV. De Raad wijst in dit verband naar
zijn uitspraak van 12 juni 1979, gepubliceerd in RSV 1979, 221.
Bovendien werden er, zoals ook tijdens de zitting namens appellante is
toegelicht, waar nodig, van de zijde van appellante aanwijzingen gegeven
aan de voorman van Allzend die deze aanwijzingen vervolgens doorgaf aan
de werknemers van Allzend. Deze werkwijze is mede ingegeven vanwege
taalbarrière tussen appellante en de werknemers van Allzend waarbij de
voorman fungeerde als intermediair. De Raad is niet gebleken dat deze
voorman geheel zelfstandig leiding en toezicht gaf aan de werknemers van
Allzend. Voorts is namens appellante ter zitting aangegeven dat de
voorman van Allzend niet de gehele dag van de uitvoering van de
werkzaamheden aanwezig was hetgeen leiding en toezicht van de zijde van
de voorman van Allzend te minder aannemelijk maakt.
Dat de controle en toezicht op de werkzaamheden van de zijde van
appellante zich niet telkens manifesteerden in het geven van
aanwijzingen, is mede ingegeven door de omstandigheid dat de
werkzaamheden naar het oordeel van de Raad eenvoudig van aard waren. Aan
de in dat verband enkele, niet nader onderbouwde stelling namens
appellante dat de werkzaamheden zeker niet eenvoudig van aard waren en
dat de werknemers van Allzend vaak beter wisten wat er gedaan moest
worden dan appellante zelf, kan niet die betekenis worden gehecht die
belanghebbende daaraan toegekend wil zien. De omstandigheid dat het
personeel van Allzend bij deze werkzaamheden voorzichtigheid diende te
betrachten, doet hieraan naar ’s Raads oordeel geen afbreuk.
Al deze omstandigheden in aanmerking genomen is er naar het oordeel van
de Raad voldoende grond om te voldoen aan het vereiste van “leiding en
toezicht” in de zin van artikel 16a van de CSV.
Voor zover appellantes grieven zien op het feit dat in onderhavig geval
sprake is van aanneming van werk als bedoeld in artikel 16b van de CSV
merkt de Raad op dat dit buiten de omvang van het onderhavige geding
valt, nu het bestreden besluit slechts ziet op hoofdelijke
aansprakelijkheid op grond van inlening als bedoeld in artikel 16a van
de CSV. Deze grieven blijven dan ook buiten bespreking.
Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van mr. L.H.
Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|