|
Uitspraak
04/3489 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beroepschrift van 29 juni 2004 heeft mr. L.C. Blok, advocaat te
Katwijk, als gemachtigde van appellant op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
’s-Gravenhage op 17 mei 2004, nummer 03/587, tussen partijen gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27 mei
2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 23 april 2002 heeft gedaagde appellant op grond van
artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) als
bestuurder hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door [naam
vennootschap] (hierna: de vennootschap) onbetaald gelaten premies
werknemersverzekeringen en boete tot een bedrag van € 99.428,72.
Gedaagde heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat
appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet aan hem te wijten
is dat de vennootschap heeft verzuimd haar betalingsonmacht aan gedaagde
te melden, zodat sprake is van een wettelijk vermoeden van kennelijk
onbehoorlijk bestuur. Voorts heeft gedaagde gesteld, indien ervan uit
gegaan zou moeten worden dat appellant wel aannemelijk zou hebben
gemaakt dat de schending van de meldingsplicht niet aan hem te wijten
is, dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het niet
betalen van de premies niet het gevolg is van aan hem te wijten
kennelijk onbehoorlijk bestuur. Gedaagde heeft zijn besluit na bezwaar
van appellant gehandhaafd bij besluit van 30 december 2002. De rechtbank
heeft het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit ongegrond
verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij niet langer bestuurder
van de vennootschap was en - zo begrijpt de Raad appellants stellingen -
niet kon beschikken over de aan de vennootschap verzonden stukken,
daarbij met name doelend op gedaagdes brieven van 10 juli 2000 en 14
augustus 2000 waarbij gedaagde heeft gewezen op de hiervoor bedoelde
meldingsplicht.
De Raad overweegt als volgt.
Uit het zich onder de gedingstukken bevindende uittreksel uit het
handelsregister blijkt naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat
appellant van 18 april 1994 tot 1 november 2000, mitsdien ten tijde van
het intreden van de betalingsonmacht, bestuurder van de vennootschap
was. Voorts staat vast dat geen melding van betalingsonmacht heeft
plaatsgevonden. De Raad ziet in appellants niet met verifieerbare
gegevens onderbouwde stelling, dat hij geen kennis heeft kunnen nemen
van gedaagdes brieven, geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de
schending van de meldingsplicht niet aan appellant zou zijn te wijten.
In dit verband acht de Raad relevant dat uit de gedingstukken blijkt dat
appellant zich niet of nauwelijks met het administratieve gedeelte van
het besturen van de vennootschap heeft beziggehouden en dat sprake was
van een zeer rommelige administratie van de vennootschap. Voorts is van
belang dat het betreft een drietal aan het door appellant in privé
gehuurde bedrijfsadres, tevens zijn woonadres, op uiteenlopende data
verzonden brieven.
Gelet op het voorgaande heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad
terecht met toepassing van artikel 16d, vierde lid, van de CSV appellant
aansprakelijk gesteld. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. R.C. Stam en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid
van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli
2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) M. Renden.
|
|