|
Uitspraak
03/450 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in de geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden heeft mr. L.J. van
der Leije, adjunct-directeur Fiscale Zaken van de SNS Reaal Groep N.V.,
namens appellante hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen op 19
december 2002 onder kenmerk 01/2136 door de rechtbank ’s-Hertogenbosch
gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 mei
2005, waar voor appellante, daartoe opgeroepen, is verschenen mr. S.J.A.M.
Hemmer, werkzaam bij afdeling Fiscale Zaken van de SNS Reaal Groep N.V.,
terwijl voor gedaagde, eveneens daartoe opgeroepen is verschenen mr. M.
Krikke, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken de volgende feiten en
omstandigheden.
In 2000 heeft gedaagde bij appellante een looncontrole uitgevoerd. Uit
het looncontrolerapport van 5 september 2000 komt onder meer naar voren
dat appellante aan haar werknemers die arbeid wegens avondopenstelling
verrichten, tegen overlegging van een nota de kosten vergoedt van een
elders genoten maaltijd. De basis hiervoor is neergelegd in de CAO voor
het Bankbedrijf. Gedaagde heeft deze vergoedingen als loon in natura
aangemerkt en onder dagtekening 21 december 2000 correctienota’s over
de premiejaren 1995 tot en met 2000 opgelegd.
Bezwaar tegen deze correctienota’s is bij besluit van 24 juli 2001
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Uit het feitelijk substraat zoals dit uit het looncontrolerapport naar
voren komt en ook uit de overige gedingstukken blijkt, dat appellante
aan de werknemers die met werkzaamheden tijdens de avondopenstelling
zijn belast geen maaltijden verstrekt, doch vergoedingen op
declaratiebasis. Gedaagde (en in feite ook appellante) heeft de vraag of
de onderhavige vergoedingen tot het premieloon behoren evenwel getoetst
aan het bij en krachtens artikel 8 van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) bepaalde. Dit betekent dat een onjuist toetsingskader
is aangelegd. Toetsing had dienen plaats te vinden aan artikel 6, eerste
lid onder k, van de CSV.
Het vorenstaande brengt mee dat de primaire besluiten en het bestreden
besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berusten en in rechte geen
stand kunnen houden.
Dit geldt tevens voor de aangevallen uitspraak.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist
als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het bestreden besluit van 24 juli 2001, alsmede de
correctienota’s van 21 december 2000;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht wordt geheven van in totaal € 414,--.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. M.C.M. van
Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.P.
Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) J.P. Mulder.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 2303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8
van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.
|
|