|
Uitspraak
04/3059 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. R. Mulder, advocaat te Haarlem, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 april 2004,
reg.nr. 03/200.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 maart
2005, waar namens appellante is verschenen mr. Mulder voornoemd.
Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.M. Rensema, mr.
D.A. Rusman, P.R.H. Min en mr. M.J. van Vuuren, allen werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 11 februari 2002 heeft gedaagde ten aanzien van
appellante de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten
voor het jaar 2001 definitief vastgesteld. Het daartegen gerichte
bezwaar is bij besluit van 18 december 2002 ongegrond verklaard. Daarbij
heeft gedaagde allereerst overwogen dat de uitspraak van de Raad van 31
mei 2001, gepubliceerd in RSV 2001/184, naar zijn mening uitsluitend is
gedaan in het licht van de aan die uitspraak ten grondslag liggende
casus, betreffende premieheffing sociale werknemersverzekeringswetten
over het loon van mensen die werkzaam zijn in een arbeidspatroon van
veertien dagen op en veertien dagen af in de offshore. Voorts heeft
gedaagde gehandhaafd zijn opvatting dat deze uitspraak van de Raad niet
tot gevolg kan hebben dat slechts over de dagen waarop een werknemer
werkzaamheden heeft verricht en uit dien hoofde loon heeft genoten,
premies sociale werknemersverzekeringswetten kunnen worden geheven.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat
het besluit van gedaagde van 18 december 2002 in rechte stand houdt.
Daartoe heeft zij bij haar uitspraak, waarin appellante is aangeduid als
eiseres en gedaagde als verweerder, het volgende overwogen:
" Artikel 9 CSV luidt - voor zover van belang - als
volgt:
1. Bij de berekening van het loon, waarnaar de premies ingevolge de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet worden
geheven, blijft het loon, dat bij dezelfde werkgever meer heeft bedragen
dan het bedrag, dat wordt verkregen door vermenigvuldiging van een
bedrag van € 165,63 met het aantal dagen van het
premiebetalingstijdvak, waarover de werknemer loon heeft genoten, voor
dat meerdere buiten aanmerking. (...)
2. Het bepaalde in de eerste volzin van het vorige lid vindt
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de berekening van het
loon, waarnaar de premies ingevolge de Ziekenfondswet worden geheven,
(...).
3. Bij de berekening van het loon, waarnaar de premies op grond van de
Werkloosheidswet wordt geheven, blijft wat het deel van de premie dat
ten gunste komt van het wachtgeldfonds dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen voor de betrokken sector afzonderlijk
administreert, betreft het bij dezelfde werkgever genoten loon buiten
aanmerking tot een bedrag, dat wordt verkregen door vermenigvuldiging
van een door Onze Minister vastgesteld bedrag, met het aantal dagen van
het premiebetalingstijdvak, waarover de werknemer het loon heeft
genoten.
5. Indien de werknemer uitsluitend als gevolg van ploegendienst op
minder dan vijf dagen per week arbeid verrichtte, wordt hij geacht over
het tijdvak, waarin hij in ploegendienst werkzaam was, over vijf dagen
per week loon te hebben genoten.
6. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt:
(...)
b. het aantal dagen, waarover de werknemer gemiddeld per werkweek loon
heeft genoten, geacht niet meer dan 5 te bedragen.
10. Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van het
bepaalde in de vorige leden. Onze Minister kan tevens nadere regels
stellen, welke afwijken van het bepaalde in de vorige leden.
Artikel 2 van het op artikel 9, tiende lid, CSV gebaseerde en op 1
januari 1998 in werking getreden besluit ‘Nadere regels maximumdagloon
en franchises WW’ luidt - voor zover kan belang - als volgt:
1. Bij de berekening van het loon, waarnaar de premies als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van de wet worden
geheven, blijft ten aanzien van de werknemer die in een aaneengesloten
periode van vier werkweken van het premiebetalingstijdvak meer dan 20
dagen loon heeft genoten, dat meerdere aantal dagen buiten beschouwing.
(...)
In het onderhavige geval is aan de orde de vraag of verweerder ten
aanzien van werknemers in vaste dienst van eiseres, die ten behoeve van
werkzaamheden op boorplatforms een periode van veertien dagen werken
afwisselen met een gelijke periode van niet-werken, op juiste gronden
per vier weken twintig loondagen in aanmerking heeft genomen.
Blijkens de uitspaak van de CRvB van 7 april 1993, RSV 1994/38, dient de
hoedanigheid van werknemer in ploegendienst voor de toepassing van
artikel 9, vijfde lid, CSV te blijken uit een repeterend patroon van
weken waarin meer en weken waarin minder dan vijf dagen per week wordt
gewerkt als gevolg van ploegendienst. De rechtbank is van oordeel dat de
werknemers die in vaste dienst zijn van eiseres en een tijdvak van
veertien dagen werken afwisselen met een tijdvak van veertien dagen
niet-werken, in een repeterend patroon werken als door de CRvB
omschreven en daarom werkzaam zijn in ploegendienst in de zin van
artikel 9, vijfde lid, CSV.
In de weken waarin de betreffende werknemers niet werkzaam zijn geweest,
bedraagt het aantal loondagen op grond van artikel 9, vijfde lid, CSV,
vijf dagen. In die weken hebben de betreffende werknemers immers
uitsluitend als gevolg van de ploegendienst op minder dan vijf dagen per
week werkzaamheden verricht, namelijk op geen enkele dag van de week. Op
grond van artikel 9, vijfde lid, CSV worden zij geacht over dit tijdvak
van veertien dagen op vijf dagen per week loon te hebben genoten. ’Het
tijdvak, waarin hij in ploegendienst werkzaam was’ als bedoeld in
artikel 9, vijfde lid, CSV omvat naar het oordeel van de rechtbank
namelijk zowel de veertiendaagse periode waarin de werknemer als gevolg
van die ploegendienst feitelijk arbeid verricht, als de veertiendaagse
periode waarin hij eveneens als gevolg van de ploegendienst niet
werkzaam is.
Artikel 9, zesde lid, aanhef en onder b, CSV bepaalt dat bij de
vaststelling van het aantal loondagen, zoals dat voor werknemers in
ploegendienst onder meer is bepaald met inachtneming van artikel 9,
vijfde lid, CSV, gemiddeld per werkweek niet meer dan vijf loondagen in
aanmerking worden genomen. Omdat deze bepaling ziet op een gemiddelde
per werkweek, impliceert dit dat een langere periode dan één week in
aanmerking dient te worden genomen. Welke periode bij deze middeling in
aanmerking moet worden genomen, is geregeld in artikel 2, eerste lid,
van de Nadere regels maximumdagloon en franchises WW. Volgens deze
bepaling blijft ten aanzien van een werknemer die in een aaneengesloten
periode van vier werkweken van het premiebetalingstijdvak meer dan
twintig loondagen heeft genoten het meerdere aantal dagen buiten
beschouwing. De middeling dient dus plaats te vinden over een tijdvak
van vier weken.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat ten aanzien van de in punt
2.6 genoemde werknemers in de weken waarin zij werken zeven loondagen in
aanmerking moeten worden genomen en dat zij in de weken waarin zij als
gevolg van de ploegendienst geen arbeid verrichten geacht worden over
vijf dagen loon te hebben genoten. Omdat aldus over een periode van vier
weken meer dan twintig loondagen worden genoten, blijft het meerdere
aantal dagen boven de twintig buiten beschouwing. Verweerder heeft dan
ook op goede gronden bij de berekening van de premies voor de sociale
werknemersverzekeringswetten over het jaar 2001 ten aanzien van de
betreffende werknemers per vier weken twintig loondagen in aanmerking
genomen."
Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen en verwijst
daarbij met name naar de uitspraak van de Raad van 31 mei 2001. Anders
dan de rechtbank stelt, is, volgens appellante, geen sprake van
ploegendienst van de werknemers die op het booreiland werkzaam zijn.
Artikel 9, vijfde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
moet, zoals de Raad in evenvermelde uitspraak reeds heeft aangegeven,
worden gezien vanuit de systematiek van premieheffing per gewerkte dag.
Omdat de werknemers per vier weken slechts tweemaal zeven dagen hebben
gewerkt, wordt het aantal loondagen conform artikel 9, zesde lid, van de
CSV afgetopt op twee maal vijf, is tien dagen. De werknemers zijn
daarbij niet werkzaam in ploegendienst. Immers deze werknemers zijn twee
weken lang helemaal niet voor appellante werkzaam geweest en die twee
weken vallen niet onder enigerlei ploegendienst en mogen niet worden
gemiddeld met de twee wel gewerkte weken. Voorts is appellante van
mening dat het per 1 januari 1998 in werking getreden besluit nadere
regels maximum dagloon en franchises WW, alsmede de nieuwe regeling
loondagen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 februari 2004, aan haar standpunt niet kan afdoen.
Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat de Raad een te beperkte
uitleg aan het begrip loondagen geeft. De uitleg van de Raad dat onder
loondagen moet worden verstaan “de dagen waarop een werknemer tegen
loon heeft gewerkt” acht gedaagde in strijd met de letterlijke tekst
van artikel 9 van de CSV, en overigens ook met de bedoeling van de
wetgever. Ter ondersteuning van dit standpunt wijst gedaagde er op dat
in het gehele systeem van de premieheffing werknemersverzekeringen geen
verband wordt gelegd met daadwerkelijk verrichte arbeid en het ook niet
de bedoeling van de wetgever is geweest om alleen arbeidsdagen als
loondagen aan te merken. Toepassing van de door de Raad gegeven
definitie van het begrip loondag zou immers tot een onaanvaardbare
rechtsongelijkheid leiden omdat bij gelijke lonen dan verschillende
bedragen aan premies verschuldigd zouden zijn. Bovendien zouden op deze
wijze dagen waarover wel loon is genoten, maar waarop geen arbeid is
verricht niet als loondagen kunnen worden aangemerkt. Gedaagde is dan
ook van oordeel dat de zinsnede in artikel 9, eerste lid, van de CSV,
waarin wordt gerefereerd aan “dagen waarover loon is genoten “dient
te worden gelezen als “dagen waarover loon of een aan loon
gelijkgestelde uitkering is genoten”.
Ter zitting van de Raad is gedaagde in het bijzonder ingegaan op de
vraag of in het geval van appellante gesproken kan worden van
ploegendienst. Naar zijn mening is hiervan sprake. Onder verwijzing naar
onder meer de wetsgeschiedenis heeft gedaagde zich op het standpunt
gesteld dat ook voor de weken waarin door werknemers van appellante in
het geheel niet wordt gewerkt, een aantal van vijf loondagen heeft te
gelden.
Naar aanleiding van het door partijen gestelde overweegt de Raad
allereerst het volgende.
Bij besluit van 3 februari 2004 heeft de minister een regeling als
bedoeld in artikel 9, tiende lid, van de CSV vastgesteld, houdende
verduidelijking van het begrip dagen waarover de werknemer loon heeft
genoten als bedoeld in artikel 9 van de CSV. Deze regeling luidt als
volgt:
Artikel 1
Onder dagen waarover de werknemer loon heeft genoten als bedoeld in
artikel 9, eerste, derde en vierde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering,
worden verstaan:
dagen waarop de werknemer tegen loon heeft gewerkt of zich tegen loon
voor de werkgever beschikbaar heeft gehouden;
dagen waarover de werknemer loon heeft genoten op grond van artikel 628,
629
of 639 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of op grond van naar aard
en strekking overeenkomstige regelingen voor werknemers met een publiekrechtelijke dienstbetrekking;
dagen waarop de werknemer normaal gesproken gewerkt zou hebben maar waarop hij geen werkzaamheden verricht noch zich voor de werkgever
beschikbaar houdt en waarover de werkgever, anders dan op grond van
artikelen of regelingen, bedoeld in onderdeel b, wel loon betaalt;
dagen waarover de werknemer uitkering of toeslag als bedoeld in artikel
3a, tweede en derde lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering heeft
ontvangen.
Zo nodig in afwijking van het eerste lid wordt bij dezelfde werkgever
een dag slechts eenmaal in aanmerking genomen.
Artikel 2
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 januari 1995. Deze regeling zal met de toelichting in
de Staatscourant worden geplaatst.
Gesteld, noch gebleken is dat de 14 dagen waarop de werknemers van
appellante geen arbeid verrichten, dagen zijn als bedoeld in artikel 1
van voormeld besluit. Ook overigens is niet gebleken dat de werknemers
van appellante over deze dagen loon genieten. Dit betekent dat artikel
9, eerste lid, van de CSV toepassing mist.
Het vorenstaande neemt evenwel niet weg dat, gelet op zijn vaste
jurisprudentie ter zake van ploegendienst, zoals onder meer weergegeven
in de uitspraken van 29 april 1992 en 7 april 1993, RSV 1993/109 en RSV 1994/38, de Raad in dit geval met de
rechtbank van oordeel is dat de werknemers die in vaste dienst zijn van
appellante en een tijdvak van veertien dagen werken afwisselen met
veertien dagen niet-werken, in een repeterend patroon werkzaam zijn en
derhalve arbeid verrichten in ploegendienst als bedoeld in artikel 9,
vijfde lid, van de CSV.
Echter, naar het oordeel van de Raad strekt het vijfde lid, van artikel
9 van de CSV niet zover dat ook voor weken waarin in het geheel niet
wordt gewerkt, of, anders gezegd, waarin geen dagen zijn aan te wijzen
waarover loon wordt genoten, niettemin een aantal van vijf zogeheten
loondagen in aanmerking dient te worden genomen. De zinsnede “op
minder dan vijf dagen per week arbeid verrichtte” impliceert dat op
ten minste één dag arbeid is verricht, dan wel over ten minste één
dag loon is genoten. In de door gedaagde aangehaalde wetsgeschiedenis
heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden welke tot een ander
oordeel zouden dienen te leiden.
De Raad overweegt voorts nog dat hij bij gebreke van wetenschap omtrent
de werkroosters die appellante hanteert, in het midden moet laten of in
haar geval aan aantal van 10, dan wel van 15 loondagen in aanmerking
dient te worden genomen per periode van vier weken.
Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak en het bestreden
besluit niet in stand kunnen blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand.
De Raad stelt ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1.288,-;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante in beide instanties betaalde
griffierecht tot een bedrag van € 627,- aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en
mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 juli
2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|