|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/3412 CSV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], gevestigd te [vestigingsplaats], opposante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 27 januari 2005 is het door mr. W.K.J. van
Santen, advocaat te Thorn, namens opposante ingestelde hoger beroep
tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 mei 2003, reg.nr.
02/1322 ALGEM, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft mr. W.K.J. van Santen een verzetschrift
ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting
van 16 juni 2005, waarbij namens opposante haar gemachtigde is
verschenen en geopposeerde, zoals tevoren bericht, zich niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van 27 januari 2005 steunt kort samengevat hierop, dat bij
het instellen van het hoger beroep de termijn van zes weken voor het
indienen van een beroepschrift niet in acht is genomen en dat geen
aanknopingspunten zijn gevonden om de termijnoverschrijding
verschoonbaar te achten.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposante terecht
niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in
zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen merkt de Raad op
dat ook op grond van het verzetschrift redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat gemachtigde van opposante niet in verzuim is geweest.
Ter zitting van de Raad geeft de gemachtigde van opposante aan dat er in
de uitspraak van 27 januari 2005 geen motivering is gegeven naar
aanleiding van de argumenten die in zijn verzetschrift zijn aangevoerd.
De gemachtigde van opposante is zich er van bewust dat het beroepschrift
te laat is ingediend. De omstandigheid dat de termijnoverschrijding te
wijten is aan een fout bij het invoeren van gegevens in de elektronische
agenda van de gemachtigde van opposante komt voor rekening en risico
voor opposante en levert derhalve geen verschoonbaarheid van de
termijnoverschrijding op.
De Raad overweegt dat in situaties als de onderhavige het uitgangspunt
geldt dat het risico van het “niet tijdig” indienen van het hoger
beroepschrift, volledig voor rekening komt van de partij die het hoger
beroep instelt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M. Renden als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.
(get.) R.C. Stam.
(get.) M. Renden.
|
|