|
Uitspraak
04/3636 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M. Alta, juriste bij Adure juristen te
Drachten, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen
uitspraak van de rechtbank Zwolle van 15 juni 2004, kenmerk 03/801.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nog nadere informatie van haar accountant verschaft
over het uitblijven van naheffingsaanslagen van de belastingdienst over
de in geding zijnde jaren 1998 - 2002.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juli
2005, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door
[betrokkenen], bijgestaan door mr. Alta, voornoemd. Gedaagde heeft zich
bij die gelegenheid niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Tussen partijen staat als uitvloeisel van een looncontrole in het
voorjaar van 2003 onbetwistbaar vast dat over de jaren 1998, 2000, 2001
en 2002 een aantal aan appellante bekende scholieren uit de nabije
omgeving van haar vestiging vakantiewerkzaamheden op het agrarisch
bedrijf van appellante hebben verricht. Daarbij is ten aanzien van de
loonbetalingen gebruik gemaakt van de premievrijstelling ingevolge de
zogeheten scholierenregeling. Bij evenbedoelde looncontrole in 2003 is
tevens gebleken dat in de loonadministratie van appellante over
evengenoemde boekjaren voor een aantal werknemers geen afschriften van
geldige identiteitsbewijzen aanwezig waren, ofschoon op het belang
hiervan eerder gewezen was, reeds ten tijde van een looncontrole in
1998.
Gedaagde heeft aan appellante een premienota van 2 april 2003 opgelegd,
waarbij over de jaren in geding de nettolonen van de desbetreffende
werknemers zijn gebruteerd met het zogenaamde anoniementarief. Weliswaar
heeft appellante nog in de bezwaarprocedure de gelegenheid gegrepen om
alsnog identiteitsbewijzen van betrokken werknemers over te leggen, maar
deze waren voor gedaagde slechts voor een zeer beperkt aantal in de
periode in geding aanvaardbaar, in die zin dat ze op het moment van
indiensttreding geldig waren. Uitgaande van de werknemers waarvoor
volgens gedaagde geen doeltreffend verzuimherstel heeft plaatsgehad,
heeft gedaagde bij het besluit op bezwaar van 27 mei 2003 de bezwaren
tegen de oorspronkelijke beslissing inzake het opleggen van een nota op
basis van het anoniementarief slechts gedeeltelijk gegrond en voor het
overgrote deel ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante ongegrond verklaard en de juistheid van het standpunt van
gedaagde onderschreven ook met dien verstande dat er terecht geen
rekening is gehouden met de - later - aangeleverde identiteitsbewijzen
voorzover die niet geldig waren op de data waarop de desbetreffende
werknemers bij appellante zijn gaan werken. De rechtbank heeft daarbij
voor wat betreft het vergaren en bewaren van geldige
identititetsbewijzen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 90,
derde lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekeringen in verbindig met
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, respectievelijk artikel
55, derde lid, van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en
Inkomen en de relevante regelgeving van de Wet op de loonbelasting,
welke in de gegeven situatie noopt tot toepassing van het
anoniementarief.
Appellante is in hoger beroep blijven betwisten dat de regelgeving ertoe
zou nopen dat de in haar administratie opgenomen identiteitsbewijzen
geldig zouden moeten zijn op de data waarop betrokken werknemers bij
haar zijn gaan werken en dat zulks als een te vergaande sanctie zou
uitwerken waar het anoniementarief wordt toepast. Zij meent voor
betrokken werknemers identiteitscontrole in elk geval achteraf
genoegzaam mogelijk te hebben gemaakt. Daarbij is van de zijde van haar
accountant in geschrifte in het midden gebracht dat de belastingdienst
niet tot naheffing op basis van het anoniementarief is overgegaan over
de jaren 1998 tot en met 2002.
De Raad volgt appellante niet in haar eerste grief, evenmin als de
rechtbank, zowel onder verwijzing naar haar gevestigde jurisprudentie te
dezen als onder specifieke vermelding in dit geding dat wil het door de
regelgever beoogde identificatieregime naar behoren werken als
uitgangspunt een identificatiebewijs van een werknemer ten tijde van de
aanvang van het dienstverband voorhanden behoort te zijn bij de
werkgever, althans bij geboden verzuimherstel onmiddellijk beschikbaar
is. Gedaagde heeft in dit verband terecht gewezen op het voorgeschreven
bewaarstelsel vervat in - artikel 1 van - de Regeling bewaarplicht
identiteitsdocumenten.
Daarenboven blijkt appellante, die reeds bij een looncontrole in 1998 op
haar bewaarplicht van geldige identiteitsbewijzen bij in diensttreding
van werknemers was gewezen, er ook willens en wetens stelselmatig van te
hebben afgezien de identiteit van desbetreffende werknemers naar behoren
vast te stellen, aangezien zij er destijds niet de zin van inzag zulks
op het tijdstip van in diensttreding met bewijzen van geldige documenten
te laten staven.
Daarentegen deelt de Raad wel de tweede grief van appellante in zoverre
dat nu inmiddels onweersproken niet is gebleken van naheffing door de
belastingdienst over het jaar 1998, voor toepassing van het
anoniementarief over dat jaar in het kader van de premieheffing geen
plaats meer is. Voor de thans nog voor bedoelde naheffing vatbare jaren
2000, 2001 en 2002 kan deze grief van appellante evenwel in dit stadium
geen doel treffen. Evenmin is de grief van appellante ten aanzien van
het jaar 1999 doeltreffend, reeds aangezien de bestreden correcties niet
op dat jaar zien, zoals uitdrukkelijk uit de tekst van het besluit op
bezwaar naar voren komt.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat - met vernietiging van de
aangevallen uitspraak - het besluit van 27 mei 2003 voorzover betrekking
hebbend op de premienota 1998 vernietigd dient te worden en voorzover
aangaand de premienota’s 2000, 2001 en 2002 in stand kan worden
gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand,
begroot op € 644,-- voor het geding in eerste aanleg, en € 644,--
voor het geding in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2003 gegrond en
vernietigt dat besluit voorzover dat ziet op de over 1998 gehandhaafde
correctie;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het
betaalde recht van € 641,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr.drs. N.J.
Van Vulpen-Grootjans en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid
van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8
september 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) J.P. Mulder.
|
|