|
Uitspraak
04/5156 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], h.o.d.n. [handelsnaam], wonende te [woonplaats],
appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. F.W. van de Weerdt, belastingadviseur te
’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 11 augustus 2004, kenmerk 03/2670.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 8 september 2005, waar partijen, zoals tevoren
schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluiten van 15 juli 2003 heeft gedaagde appellant
correctienota’s opgelegd over de jaren 1998 tot en met 2001 in verband
met de door appellant aan losse hulpen voor het verrichten van
reparaties, stofzuigen, baanonderhoud en grasmaaien verrichte
betalingen.
Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft gedaagde de door appellant tegen
voornoemde besluiten ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
Ter zitting bij de rechtbank heeft gedaagde het besluit van 16 oktober
2003 ingetrokken en verklaard dat op basis van een hernieuwd onderzoek
een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant genomen zal worden.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant
tegen het besluit van 16 oktober 2003 ingestelde beroep
niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft termen aanwezig geacht
om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten die appellant in
verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank
redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn met toepassing van het
Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 644,--, als
kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts
heeft de rechtbank bepaald dat door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan appellant het griffierecht wordt vergoed.
Appellant kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank om
gedaagde slechts te veroordelen tot een proceskostenvergoeding op basis
van de forfaitaire bedragen genoemd in het Bpb. Appellant vordert in
hoger beroep alsnog een integrale kostenveroordeling, aangezien
appellant door de opstelling van gedaagde bij de rechtbank is
overvallen. Indien gedaagde het besluit van 16 oktober 2003 eerder had
ingetrokken, had de uitvoerige motivering van het bezwaar achterwege
kunnen blijven. Tevens zou de reis van ’s-Gravenhage naar Arnhem voor
de zitting van de rechtbank appellant en zijn gemachtigde in dat geval
kunnen zijn bespaard.
De Raad overweegt naar aanleiding van het hoger beroep van appellant als
volgt.
In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat in bijzondere
omstandigheden kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid
van artikel 2 van het Bpb.
De toelichting bij het Bpb vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen
strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat
de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende
vergoeding kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk
gaat om uitzonderingen en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin
de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op
uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde
feitenmateriaal is gejaagd.
De omstandigheden die appellant aanvoert kan de Raad niet als bijzondere
omstandigheden aanmerken die tot afwijking van de limitatieve en
forfaitaire tarieven nopen. Van een uitzonderlijk geval als bedoeld in
de toelichting van het Bpb is hier geen sprake. Overigens wordt in de
toelichting opgemerkt dat de kostenveroordeling niet bedoeld is als
volledige schadevergoeding, maar als tegemoetkoming in de kosten.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Stam
en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) M. Renden.
|
|