|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/2204 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beroepschrift van 12 april 2005 heeft mr. J.F.M. Verhey, advocaat te
Amsterdam, als gemachtigde van appellant op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Amsterdam op 4 april 2005, nummer 03/4171, tussen partijen gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 oktober 2005, waar
appellant is verschenen, bijgestaan door voormelde gemachtigde, en waar
namens gedaagde is verschenen mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant exploiteert sedert 10 april 1990 een restaurant op Texel onder
de naam [naam restaurant]. Appellant heeft zich nimmer bij gedaagde als
werkgever aangemeld.
Gedaagde heeft naar aanleiding van een fraudeonderzoek geconcludeerd dat
appellant als werkgever dient te worden aangemerkt, aangezien bij
waarnemingen werknemers bij [naam restaurant] werden aangetroffen. Bij
gebreke van een loonadministratie heeft gedaagdes looninspecteur een
schatting gemaakt van de niet door appellant verantwoorde loonsommen.
Gedaagde heeft vervolgens bij premienota’s van 17 september 2001
premies vastgesteld over de jaren 1996 tot en met 2000. Gedaagde heeft
de opgelegde nota’s gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 11 augustus
2003. De rechtbank heeft bij de in rubriek I vermelde uitspraak het
beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep onder meer betoogd dat met betrekking
tot de bij observaties aangetroffen personen niet vast staat dat deze
werkzame personen daadwerkelijk loon hebben ontvangen. Appellant heeft
in hoger beroep andermaal gesteld dat deze personen behoren tot zijn
familie- en vriendenkring.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens een zich onder de gedingstukken bevindend proces-verbaal van
verhoor heeft appellant onder meer verklaard: “Ik heb wel eens een
Egyptenaar, Charat een paar dagen in juni 2000 in dienst gehad. Deze
maakte shoarma in mijn zaak. Deze heeft 3 weken gewerkt. Hij wilde niet
blijven. Ik heb deze man misschien fl. 1500,= tot fl. 1600,= gegeven. Ik
vind dit niet echt salaris, hij had geen vaste werktijden. Ik moest hem
wat geven voor zijn werkzaamheden”.
Gelet op deze verklaring van appellant, in samenhang met bij 23
waarnemingen ter plaatse aangetroffen werkzame personen, de bij
appellant aangetroffen kasboekjes betreffende de jaren 1996 tot en met
1999 met door appellant genoteerde omzetcijfers en loonbetalingen en de
verklaringen van jaarlijks terugkerende klanten die [naam restaurant]
tijdens hun vakanties in de jaren 1998 tot en met 2000 dagelijks
bezochten, heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht
geconcludeerd dat appellant werknemers in dienst heeft gehad. In het
licht van het voorgaande acht de Raad appellants stelling, dat de bij
hem werkzame personen geen loon hebben ontvangen, niet geloofwaardig.
Deze stelling valt bovendien niet te rijmen met de hiervoor aangehaalde
verklaring van appellant zelf. De stelling van appellant, dat hij in de
kasboekjes gefingeerde bedragen heeft genoteerd met het oog op een
eventuele verkoop van het restaurant, acht de Raad gelet op het hiervoor
aangehaalde evenmin geloofwaardig.
Nu bij appellant geen betrouwbare loonadministratie is aangetroffen,
zelfs de betaling aan voornoemde Egyptenaar is in boeken van appellant
niet te traceren, mocht gedaagde overgaan tot schatting van de
premielonen. Gedaagde is daarbij naar het oordeel van de Raad niet
onzorgvuldig te werk gegaan, aangezien gedaagde daarbij rekening heeft
gehouden met de arbeidsinzet van appellant en zijn echtgenote en
gedaagde voorts is uitgegaan van een minimale bezettingsgraad. Voorzover
de schatting niettemin tot vaststelling van een te hoge loonsom heeft
geleid, komt dit risico volgens vaste jurisprudentie voor rekening van
appellant.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet
slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van M. Renden
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|