|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/1832 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft J.Th. Smiesing hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 11 februari 2005 met kenmerk
03/423.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 november 2005, waar
appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeur [naam
directeur] en door F.J.M. Torremans, verbonden aan Lukaart Nieuwenhuysen
Registeraccountants te Dordrecht. Gedaagde is met voorafgaand bericht
niet verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en
omstandigheden en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving verwijst
de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het
vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van
belang zijnde gegevens.
Op 5 september 2001 is bij appellante een looncontrole uitgevoerd, in
het kader waarvan laatstelijk op 19 september 2002 is gesproken met F.J.M.
Torremans. De looninspecteur heeft zijn bevindingen in een rapport van
27 september 2002 neergelegd en, nadat op 25 oktober 2002 van de zijde
van appellante op dit rapport was gereageerd, op 22 november 2002 nader
gerapporteerd. Gedaagde heeft bij besluiten van 18 december 2002 over de
jaren 1997 tot en met 2000 en 2002 aan appellante correctienota’s
opgelegd, welke zijn gebaseerd op het standpunt dat de werknemers
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: betrokkenen) de beschikking
hebben over een dienstwoning waarvoor geen huur in rekening wordt
gebracht noch een bijtelling bij het loon plaatsvindt, zodat sprake is
van loon in natura ten bedrage van de huurwaarde. Daarbij is voor de
eerste helft van het jaar 2000 uitgegaan van een huurwaarde van f 600,--
per maand. Bij besluiten van 23 december 2002 zijn over de jaren 1998
tot en met 2000 boeten opgelegd. Na bezwaar heeft gedaagde de opgelegde
nota’s bij besluit van 7 april 2003 gehandhaafd. Tegen dit besluit
heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij besluit van 21
mei 2004 heeft gedaagde - onder intrekking van het besluit van 7 april
2003 - de bezwaren van appellante gegrond verklaard voorzover deze
betrekking hebben op de perioden van bewoning door betrokkenen en
daarmee op de hoogte van de opgelegde correctie- en boetenota’s. Voor
het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 7
april 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft het beroep van
appellante mede gericht geacht tegen het besluit van 21 mei 2004 en dat
beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante deze uitspraak gemotiveerd bestreden.
De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat de rechtbank met
juistheid heeft vastgesteld dat niet is gesteld of gebleken dat
appellante nog belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het tegen
het - ingetrokken - besluit van 7 april 2003 ingestelde beroep en dat
beroep om die reden terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan dit
oordeel kan geen afbreuk doen dat, zoals appellante in hoger beroep
heeft aangevoerd, gedaagde op basis van het bezwaarschrift tegen de
correctienota’s al eerder had behoren te onderkennen dat betrokkenen
niet gelijktijdig in de dienstwoning hebben gewoond en dat de bij het
besluit van 7 april 2003 gehandhaafde correcties te hoog waren.
Met betrekking tot het besluit van 21 mei 2004 overweegt de Raad het
volgende.
De Raad stelt vast dat na het opmaken van de looncontrolerapporten is
komen vast te staan dat de daarin vermelde perioden van gebruik van de
dienstwoning onjuist zijn. Dit heeft geleid tot de in het besluit van 21
mei 2004 aangegeven wijziging van de perioden van gebruik van de
dienstwoning. De Raad heeft voor het overige in de gedingstukken geen
gegevens aangetroffen welke de opvatting van appellante steunen dat het
looncontrolerapport ondeugdelijk is. De Raad stelt verder vast dat
appellante na het uitbrengen van bedoeld rapport voldoende in de
gelegenheid is gesteld om op de inhoud van dat rapport te reageren.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in essentie erop
neerkomt dat in het onderhavige geval sprake is van een als loon in
natura aan te merken voordeel uit dienstbetrekking, aangezien appellante
met betrokkenen een contract inzake de aanwijzing van een dienstwoning
heeft afgesloten maar zij de daarin voor het gebruik van de woning
overeengekomen vergoeding niet door inhouding op hun loon of anderszins
hebben betaald. Voor de stelling van appellante dat het hier niet ging
om een vergoeding voor het gebruik van de woning maar om het bedrag aan
schadevergoeding dat betrokkenen verschuldigd zouden zijn in het geval
zij de woning niet (tijdig) zouden ontruimen bij het einde van hun
dienstverband is in de overeenkomst noch in de overige gedingstukken een
aanknopingspunt te vinden.
Met betrekking tot de hoogte van de vastgestelde economische huurwaarde
heeft gedaagde ook naar het oordeel van de Raad mogen uitgaan van de
overeenkomsten welke appellante met betrokkenen heeft gesloten over de
bewoning en het gebruik van de dienstwoning. In deze - gedetailleerde -
overeenkomsten is bepaald dat de vergoeding voor het gebruik van de
dienstwoning f 600,-- per maand bedraagt en dat de werkgever bevoegd is
deze vergoeding in mindering te brengen op het door de werkgever aan de
werknemer verschuldigde loon. De stelling van appellante dat de
economische huurwaarde van de dienstwoning niet meer dan f 150,00 of f
200,00 per maand zou bedragen, onder meer omdat de woning slechts een
gering gedeelte van het bedrijfspand zou uitmaken, is van de zijde van
appellante niet door middel van een beschikking van de inspecteur der
directe belastingen onderbouwd. In dit verband vermeldt de Raad nog dat
de huur voor het gehele bedrijfspand, dat volgens opgaaf van appellante
uit twee verdiepingen bestaat, f 48.000,-- per jaar bedraagt.
Over de klacht van appellante dat door gedaagde aan het besluit van 21
mei 2004 nog geen uitvoering zou zijn gegeven door middel van
terugbetaling van een gedeelte van de reeds betaalde correctie- en
boetenota’s komt de Raad in dit geding geen oordeel toe. De Raad gaat
ervan uit dat gedaagde op grond van de uitspraak van de Raad in dit
geding op korte termijn tot toezending van gecorrigeerde nota’s en tot
de financiële afwikkeling daarvan zal overgaan.
Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank het
besluit van 21 mei 2004 wat de premiecorrecties over de jaren in geding
terecht in stand heeft gelaten. Aangezien appellante geen zelfstandige
grieven heeft aangevoerd ten aanzien van de boetenota’s, kan de
aangevallen uitspraak ook op dit onderdeel in stand blijven.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in
tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 1 december 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) A. Kovács.
|
|