|
Uitspraak
04/831 CSV, 04/835 CSV, 04/909 CSV en 04/910 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, hierna: het Uwv.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Betrokkene heeft bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak
van de rechtbank Rotterdam, kenmerk 03/2274 en 03/2275, van 15 december
2003. Hij heeft op 8 september 2005 nog een nader stuk in geding
gebracht.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemde
uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Betrokkene heeft een
verweerschrift ingezonden.
De Raad heeft bij mondelinge uitspraak van 8 september 2005 het verzoek
van betrokkene tot wraking, als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb), van de leden van de Raad mr. R.C. Schoemaker,
mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, afgewezen.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22
september 2005, waar betrokkene in persoon is verschenen en waar het Uwv
zich - na daartoe opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door
mr. M.M. Odijk en P.R.H. Min, beiden werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende, door de rechtbank vastgestelde en door
partijen niet bestreden, feiten en omstandigheden.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 3 juni 2002 is betrokkene ervan in
kennis gesteld dat hij, in zijn hoedanigheid van feitelijk
beleidsbepaler / bestuurder, hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor
door respectievelijk [naam bedrijf] Installatie-, Constructie- en
Timmerwerken N.V. (hierna: [naam bedrijf]) en [naam BV] B.V. (hierna:
[naam BV]) onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten. De premies inzake [naam bedrijf] zien op
de jaren 1996, 1997 en 1998, terwijl bij [naam BV] sprake is van de
jaren 1996, 1997, 1998 en 1999.
Bij twee eveneens afzonderlijke besluiten van 31 december 2002 - hierna
ook: voorzover ziend op [naam bedrijf]: bestreden besluit I en voorzover
ziend op [naam BV]: bestreden besluit II, alsmede tezamen ook: de
bestreden besluiten - heeft het Uwv de bezwaren van betrokkene tegen
deze besluiten ongegrond verklaard.
Ten tijde in geding waren de vennootschappen [naam bedrijf] en [naam
BV], respectievelijk opgericht op 8 december 1924 en 3 juli 1989 bij de
Kamer van Koophandel ingeschreven als ondernemingen die werkzaam waren
op het gebied van installatie, constructie en het aannemen en uitvoeren
van timmerwerk. Bestuurder van [naam bedrijf] was tot 20 december 1996
H.B. [naam bedrijf] en vanaf die datum Landstar Real Estate N.V.
(hierna: Landstar). Landstar op haar beurt is op 20 oktober 1991
opgericht in Curaçao en per 20 oktober 1994 aldaar gevestigd.
Bestuurder van Landstar was T.G. van Heumen. [Naam bedrijf] was vanaf 23
april 1996 bestuurder van [naam BV]. Medebestuurder was tot 22 juli 1997
M.M.G. Muller.
Nadat geplande en aangekondigde looncontroles in 1998 geen doorgang
konden vinden, is door de looninspecteur van Gak Nederland BV aan de
hand van de gestorte bedragen op de G-rekeningen van de vennootschappen
een berekening gemaakt van de loonbedragen die onder meer door [naam
bedrijf] en [naam BV] opgegeven hadden moeten worden. Tegen de opgelegde
voorschot-, correctie- en boetenota's die daaruit resulteerden, is door
[naam bedrijf] en [naam BV] bezwaar gemaakt, welke bezwaren ongegrond
zijn verklaard. De tegen die besluiten ingestelde beroepen zijn door de
rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 2 augustus 2001 niet-ontvankelijk
verklaard wegens het ontbreken van een processueel belang van [naam
bedrijf] en [naam BV]. [naam bedrijf] was inmiddels op 7 december 1999 failliet verklaard en nadien [naam BV] op 19 december
2001.
Voorts is een strafrechtelijk en een fiscaal onderzoek ingesteld naar de
aan [naam bedrijf] en [naam BV] gelieerde personen. In het kader van het
strafrechtelijk onderzoek is onder andere een groot aantal personen
gehoord, deels als getuige en deels als verdachte.
Het Uwv heeft in de bestreden besluiten overwogen dat de faillissementen
van beide ondernemingen gelijk gesteld worden aan de melding als bedoeld
in artikel 16d, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV),
nu een deel van de onbetaald gebleven premies zijn opgelegd na deze
faillissementen. Ingevolge artikel 16d, derde lid, van de CSV is het Uwv
gehouden aannemelijk te maken dat het niet betalen van de premies te
wijten is aan het kennelijk onbehoorlijke bestuur van de bestuurder(s)
in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van melding.
Daarbij is tevens van belang dat ingevolge artikel 16d, zesde lid,
aanhef en onder b, van de CSV onder een bestuurder mede wordt verstaan
degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het
lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, de
zogeheten feitelijk beleidsbepaler.
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat betrokkene gezien moet worden
als feitelijk beleidsbepaler heeft het Uwv gewezen op het volgende:
- Uit diverse, tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde, verklaringen
blijkt dat betrokkene degene was die het in [naam bedrijf]
en [naam BV] voor het zeggen had;
- Betrokkene kwam bijna elke dag op het kantoor van de vennootschappen;
- Betrokkene kwam regelmatig in de panden waarin de administratie van
die vennootschappen daadwerkelijk werd gevoerd;
- Betrokkene speelde een belangrijke rol bij de pogingen het Uwv geen
gelegenheid te geven de administraties van de
vennootschappen in te zien;
- Uit één van de afgelegde verklaringen blijkt dat betrokkene bepaalde
welke werknemers van de vennootschappen ‘zwart’ werkten;
- Betrokkene was bij beide vennootschappen tekenbevoegd voor één of
meer bankrekeningen van die vennootschappen, waaronder de
G-rekening van [naam BV];
- Betrokkene en zijn vrouw hebben feitelijk opdracht gegeven om een huis
te bouwen op het adres van betrokkene, welke bouw door beide
vennootschappen is gefinancierd;
- Betrokkene is volgens de bescheiden die hij aanleverde ten behoeve van
een hypotheekverstrekking sinds 1 september 1997 als
Investment Councellor werkzaam voor [naam BV];
- Van Heumen heeft verklaard dat hij via zijn contact met betrokkene op
papier directeur van Landstar is geweest, waarvoor hij via
betrokkene maandelijks een geldbedrag zou ontvangen. Hij
heeft ook verklaard dat hij meerdere malen naar notarissen
is geweest om BV’s van betrokkene op zijn naam te laten zetten en dat hij op betrokkenes verzoek een aantal formulieren
heeft getekend.
Betrokkene heeft in zijn beroep bij de rechtbank aangevoerd dat:
- reeds uit het feit dat er meer dan een half jaar is verstreken tussen
de primaire besluiten en de besluiten op bezwaar volgt dat
de bezwaren gegrond hadden moeten worden verklaard;
- uit geen enkele verklaring blijkt dat betrokkene bij [naam bedrijf] en
[naam BV] het beleid heeft bepaald, waarbij opgemerkt wordt
dat de verklaringen tegenstrijdig zijn;
- zijn betrokkenheid bij de vennootschappen voortvloeide uit zijn
werkzaamheden die hij verrichtte in dienst van Landstar,
welke werkzaamheden bestonden uit het controleren van de
omzet van de vennootschappen omdat Landstar recht had op een
bepaalde provisie afhankelijk van de omzet;
- hij alleen maar betrokken was bij de bouw van het huis, waarvoor zijn
echtgenote de opdrachtgeefster was, omdat hij er kwam te
wonen;
- de verklaring van Van Heumen ongeloofwaardig is zodat aan deze
verklaring geen conclusies verbonden kunnen worden.
De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak kunnen vinden in de
vaststelling door het Uwv dat betrokkene gezien moet worden als
feitelijk beleidsbepaler en dat hij uit dien hoofde in principe
hoofdelijk aansprakelijk is voor de onbetaald gebleven premienota’s.
Met betrekking tot de aansprakelijkstelling voor de aan de
vennootschappen opgelegde boetenota’s heeft de rechtbank echter
overwogen dat, nu betrokkene, als bestuurder van [naam bedrijf] en [naam
BV], onderwerp was van een strafrechtelijk onderzoek, artikel 12c van de
CSV er aan in de weg stond hem lopende dit onderzoek aansprakelijk te
stellen voor deze boetes. Ten aanzien van de hoogte van de
aansprakelijkstelling voorzover ziend op de aan [naam bedrijf] opgelegde
premienota’s heeft de rechtbank overwogen dat bestreden besluit I
tevens voor vernietiging in aanmerking komt omdat het Uwv had laten
weten dat wegens een aantal dubbeltellingen betrokkene voor een te hoog
bedrag aansprakelijk was gesteld.
In hoger beroep heeft betrokkene in essentie zijn stellingen omtrent de
gevolgen van de duur van de bezwaarprocedure alsmede omtrent zijn
gestelde hoedanigheid van feitelijk beleidsbepaler bij de
vennootschappen herhaald. In reactie op het hoger beroep van het Uwv
heeft betrokkene gesteld dat wegens de schending van de hoorplicht de
bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven.
Het Uwv heeft zich gekeerd tegen de overweging van de rechtbank met
betrekking tot de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s.
De Raad overweegt als volgt.
Het hoger beroep van betrokkene (04/831 + 835 CSV)
De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen
omtrent de gevolgen van de duur van de bezwaarfase. De termijn van 13
weken als genoemd in artikel 18b van de CSV is een termijn van orde en
geen fatale termijn. Aan de overschrijding ervan door het Uwv kunnen
derhalve niet die gevolgen verbonden worden die betrokkene daaraan
verbonden wil zien.
Met betrekking tot de grief van betrokkene dat hij ten onrechte niet in
de gelegenheid is gesteld gehoord te worden in de bezwaarfase overweegt
de Raad het volgende.
Zoals de Raad in zijn uitspraak van 14 november 2002 (LJN AF2963) heeft
overwogen moet een bestuurder, indien deze ook aansprakelijk wordt
gesteld voor een verhoging als bedoeld in artikel 12, tweede en derde
lid, van de CSV, door het Uwv in de gelegenheid worden gesteld in de
bezwaarfase gehoord te worden. In dit geding is betrokkene deze
gelegenheid in deze fase niet geboden. Dat het Uwv betrokkene alsnog bij
brief van 7 maart 2005 in de gelegenheid heeft gesteld gehoord te worden, op welke
brief betrokkene op 15 maart 2005 heeft gereageerd maakt dit niet
anders.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de bestreden besluiten
in strijd met artikel 7:2 van de Awb zijn genomen. De Raad ziet geen
aanleiding om de zaken ter verdere afhandeling naar het Uwv terug te
verwijzen. Betrokkene heeft naar het oordeel van de Raad zijn standpunt
zowel ter zitting van de rechtbank als ter zitting van de Raad voldoende
naar voren kunnen brengen. Voorts acht de Raad de voorhanden zijnde
gegevens toereikend om de zaken zelf inhoudelijk te beoordelen.
De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met de overwegingen van de
rechtbank over de vraag of betrokkene gezien moet worden als feitelijk
beleidsbepaler bij de vennootschappen. Met name de afgelegde
verklaringen tijdens het opsporingsonderzoek, het feit dat betrokkene
tekenbevoegd was ten aanzien van verschillende rekeningen van de
vennootschappen, zijn bijna dagelijkse aanwezigheid op de kantoren van
de vennootschappen en zijn betrokkenheid bij de geldstromen van de
vennootschappen maken aannemelijk dat betrokkene het beleid mede
bepaalde als ware hij bestuurder. De door betrokkene ter zitting van de
Raad afgelegde verklaring dat hij, om hem moverende redenen, niet de
namen kan en wil noemen van degenen die in werkelijkheid het beleid
bepaalden in de vennootschappen maakt dit niet anders. De gevolgen van
deze keuze komen voor rekening en risico van betrokkene.
Dit alles leidt tot de conclusie dat betrokkene door het Uwv terecht
aansprakelijk is gesteld in zijn hoedanigheid van feitelijk
beleidsbepaler / bestuurder.
Het hoger beroep van het Uwv (04/909 + 910 CSV)
Het Uwv is ten eerste van mening dat de rechtbank buiten de omvang van
het geding is getreden door een oordeel te geven over de
aansprakelijkstelling voor de boetenota’s, nu betrokkene hiertegen in
de loop van de procedure geen grieven heeft aangevoerd.
De Raad is van oordeel dat uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene in
eerste aanleg geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd omtrent de
aansprakelijkstelling voor de boetenota’s. De Raad moet dan ook
vaststellen dat de rechtbank met haar oordeel over de vraag of het
strafrechtelijke onderzoek aan de aansprakelijkstelling van betrokkene
voor de boetenota’s in de weg staat, is getreden buiten de grenzen van
het aan haar voorgelegde geschil en aldus het bepaalde in artikel 8:69,
eerste lid, van de Awb niet in acht heeft genomen.
Ook betrokkene is blijkens het verhandelde ter zitting van mening dat,
indien hij wordt aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler, hij tevens
aansprakelijk gesteld moet worden voor de boetenota’s.
Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de
aansprakelijkstelling van betrokkene voor de niet betaalde premies, ziet
de Raad geen grond voor het oordeel dat hij niet tevens aansprakelijk
gesteld kon worden voor de niet betaalde boetenota’s.
Nu reeds deze grief van het Uwv leidt tot vernietiging van de
aangevallen uitspraak, behoeven de overige grieven geen bespreking meer.
Slotoverwegingen
Gezien het voorgaande moet worden geoordeeld dat de rechtbank de
bestreden besluiten terecht heeft vernietigd. Nu deze vernietiging
echter op geheel andere gronden berust, acht de Raad het aangewezen om -
met vernietiging van de aangevallen uitspraak - de beroepen van
betrokkene tegen de bestreden besluiten gegrond verklaren. De bestreden
besluiten dienen wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb te worden
vernietigd en het bestreden besluit I tevens voorzover dat ziet op
hoogte van de aansprakelijkstelling.
De Raad ziet aanleiding om met gebruikmaking van de in artikel 8:72,
derde en vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit II in stand te laten en,
wat bestreden besluit I betreft, zelf in de zaak te voorzien door het
bedrag van de aansprakelijkstelling voor de door [naam bedrijf]
verschuldigde bedragen te bepalen op € 1.831.298,22.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voorzover daarbij is
beslist over de vergoeding van griffierecht;
Verklaart de beroepen tegen bestreden besluiten I en II gegrond en
vernietigt die besluiten;
Bepaalt dat betrokkene tot een bedrag van € 1.831.298,22 aansprakelijk
wordt gesteld voor de door [naam bedrijf] verschuldigde bedragen;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van besluit II in stand blijven;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 87,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 8 december 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) J.P. Mulder.
|
|