|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/4384 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Dordrecht op 17 juni 2005 onder kenmerk 04/1133 tussen partijen gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 februari
2006, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich,
zoals tevoren schriftelijk bericht niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier
van belang.
Gedaagde heeft aan appellant correctienota's over de jaren 1999 tot en
met 2002 opgelegd in verband met betaalde vergoedingen voor kleding en
gereedschap aan zijn werknemer die boven de maximale CAO-vergoeding
uitstijgen. Bij het bestreden besluit van 5 augustus 2004 heeft gedaagde
het bezwaar tegen deze nota's ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dat
besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft die uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
De Raad overweegt als volgt.
De hoofdregel van artikel 4 van de CSV luidt dat al hetgeen uit
dienstbetrekking wordt genoten loon vormt voor de premieheffing voor de
sociale werknemersverzekeringen. Een uitzondering hierop wordt onder
meer gemaakt in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de CSV,
waarin is bepaald dat niet tot het loon behoren vergoedingen voor zover
zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten tot
verwerving van loon. Gegeven het uitzonderingskarakter van deze bepaling
ligt het, gelet ook op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en van
deze Raad, op de weg van degene die een beroep doet op deze bepaling om
aannemelijk te maken dat een dergelijke uitzondering zich voordoet. In
deze bewijsvoering is appellant niet geslaagd.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk
heeft gemaakt dat tegenover de vergoedingen verstrekt aan de werknemer
voor gereedschap ook daadwerkelijk door deze werknemer gemaakte kosten
staan. Op basis van het looncontrolerapport van 17 september 2002 stelt
de Raad voorts vast, dat appellant naast de vergoeding voor kleding
tevens aan zijn werknemer werkbroeken en schoenen heeft verstrekt. Reeds
in zoverre kan naar het oordeel van de Raad de kledingvergoeding niet
geacht worden te strekken tot bestrijding van kosten tot verwerving van
loon. Voorts is komen vast te staan dat de vergoeding betrekking heeft
op door de werknemer zelf aan te schaffen sokken, hemden, shirts, truien
en jassen. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 juli 2001, RSV
2001, 259, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat voornoemde
kledingsstukken niet als werkkleding kunnen worden aangemerkt, omdat
deze niet (nagenoeg) geschikt zijn om bij het verwerven van loon te
dragen of zijn voorzien van zodanige kenmerken dat daaruit blijkt dat
deze bestemd zijn om bij het verwerven van loon te dragen.
Hieruit volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. A.
Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
|
|