|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/4968 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft J.H. Vos, belastingadviseur te Enschede, hoger
beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Almelo op 4 juli 2005 onder
kenmerk 05/222 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante is hierop gereageerd bij brief van 20 oktober 2005.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 februari
2006, waar namens appellante is verschenen J.H. Vos, terwijl gedaagde zich zoals tevoren schriftelijk bericht niet
heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 14 juli 2004 heeft gedaagde aan appellante een boete
opgelegd over het jaar 2003 ten bedrage van € 1.312,-- wegens het niet
(tijdig) inzenden van de jaarloonopgaven. Op 13 juli 2004 is de
boetenota verzonden met het verzoek om te betalen.
Bij het bestreden besluit van 17 januari 2005 heeft gedaagde het bezwaar
van appellante tegen de boetenota van 13 juli 2004 niet-ontvankelijk
verklaard omdat appellante bij het instellen van bezwaar de ingevolge
artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
geldende gestelde termijn voor het indienen van het bezwaar van zes
weken niet in acht heeft genomen, en niet is gebleken van enige
omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat
appellante niet in verzuim is geweest.
De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellante betoogd dat weliswaar de boetenota
naar het adres van appellante is verstuurd, maar het boetebesluit en
daarmee samenhangende correspondentie nimmer door de gemachtigde van
appellante zijn ontvangen. Dit ondanks het feit dat gedaagde bij brief
van 27 juni 2002 heeft bevestigd alle correspondentie naar het adres van
de gemachtigde te zullen sturen.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de in artikel 6:7 van de Awb
genoemde bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het
besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In zijn uitspraak
van 23 mei 2001, LJN AB3278, heeft de Raad, met verwijzing naar artikel
2:1 van de Awb, ten aanzien van de fase van de primaire besluitvorming
uiteengezet dat, indien het bestuursorgaan weet heeft van het optreden
voor de belanghebbende van een gemachtigde in een bepaalde zaak, de
toezending van een besluit in die zaak uitsluitend aan de
belanghebbende, normaliter tot gevolg zal hebben dat dat besluit niet op
de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
De Raad erkent dat het voor een bestuursorgaan - zeker in de fase
voorafgaand aan een primair besluit - niet altijd even duidelijk is of
een persoon, die bemoeienis heeft met een bepaalde zaak, als gemachtigde
moet worden aangemerkt in de zin dat voor het bestuursorgaan een
verplichting ontstaat om ook aan die gemachtigde stukken toe te zenden.
In zijn eerdergenoemde uitspraak heeft de Raad hierover opgemerkt dat
een verplichting van het bestuursorgaan tot het toezenden van stukken
aan een ander dan de belanghebbende uitsluitend kan worden aangenomen
indien het bestuursorgaan door of door toedoen van de belanghebbende
zelf ervan op de hoogte is gesteld dat in de betreffende zaak voor hem
of haar een gemachtigde optreedt. Deze opvatting waarborgt tevens het
grondrecht op privacy en de vrijheid van een ieder zich in het verkeer
met een bestuursorgaan al dan niet te laten vertegenwoordigen door een
(bepaalde) gemachtigde.
De Raad stelt allereerst vast dat in het onderhavige geval niet de
boetenota van 13 juli 2004, maar het besluit boetenota van 14 juli 2004
een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen de
mogelijkheid van bezwaar van bezwaar open staat.
Voorts stelt de Raad vast, dat gedaagde blijkens de brief van 27 juni
2002 weet had van het feit dat J.H. Vos optrad als gemachtigde van
appellante en het boetebesluit derhalve aan voornoemde gemachtigde had
moeten worden toegezonden. Gedaagde heeft dit besluit echter uitsluitend
toegezonden aan appellante zelf, zodat geen sprake was van bekendmaking
op de voorgeschreven wijze. Gelet op artikel 6:8, eerst lid, van de Awb
is de bezwaartermijn dan ook niet (reeds) op 15 juli 2004 aangevangen en
heeft gedaagde het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk
verklaard.
Gelet op het vorenstaande kunnen de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit in rechte geen stand houden en dient gedaagde alsnog
inhoudelijk op het bezwaar van appellante te beslissen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8: 75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten
worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep
voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het besluit van 17 januari 2005;
Wijst de zaak ter behandeling terug naar het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
groot € 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierrecht van in totaal € 687,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. A.
Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.
|
|