|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/2370
CSV
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2005, 04/2811
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft drs. J.J. Warnawa, belastingkundige te
Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2006. Voor
appellante is verschenen drs. Warnawa, voornoemd. Daartoe ambtshalve
opgeroepen, is voor het Uwv verschenen E.I. van Dompselaar, werkzaam bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van
belang.
Bij appellante is vanwege het Uwv in 2001 een looncontrole gehouden over
de jaren 1996 tot en met 2000, van welke controle op 7 september 2001
rapport is opgemaakt. Blijkens dit rapport maakt appellante deel uit van
een concern. Alle personeelsleden werkzaam bij diverse ondernemingen van
het concern worden verantwoord in de administratie van en hebben een
dienstverband met appellante. De activiteiten van de ondernemingen
betreffen onder meer de exploitatie van coffeeshops, café’s, eetcafé’s
en restaurants. De looninspecteurs hebben geconstateerd dat een groot
aantal werknemers een brutoloon ontvangt dat lager is dan het voor hen
geldende CAO-loon. In verband met het besluit van de Sociale
Verzekeringsraad van 21 december 1989, Stcrt. 252, inzake waardering van
fooien (hierna: Fooienbesluit) hebben de looninspecteurs de premielonen
over de betrokken jaren gecorrigeerd. Hun rapport vermeldt daaromtrent
het volgende:
“Naar de mening van de werkgever, c.q. gemachtigde dient het personeel
werkzaam in de coffeeshops buiten de correcties te blijven. Daartoe
wordt aangevoerd dat er sprake is van een shop, waarbij de verkoop van
horecaproducten van bijkomstig belang is. Bij aankoop van producten in
de coffeeshop plegen geen fooien te worden betaald, aldus gemachtigde.
Het standpunt van de werkgever, c.q. gemachtigde kan niet worden
gevolgd.
Uit vorengenoemd artikel 7 van het fooienbesluit blijkt dat iedere
werknemer die onder de CAO valt en niet tot de categorie administratief
personeel behoort, onder de werkingssfeer valt.
Tevens is van belang dat niet arbeid de bron van loon vormt, maar de
dienstbetrekking.
Bovendien is de stelling van gemachtigde niet verifieerbaar aangezien
met betrekking tot de fooien niets administratief wordt vastgelegd.
Op basis van een steekproef zijn correctiebedragen berekend en met
gemachtigden en werkgever besproken op 29 maart 2001.
De werkgever is daarop, op eigen verzoek, in de gelegenheid gesteld een
berekening te maken van het verschil tussen het ingevolge de CAO te
betalen functieloon en het werkelijk uitbetaalde loon over het jaar 2000
per werknemer. De werkgever heeft tevens op basis van extrapolatie een
berekening gemaakt van de afwijkingen in de voorgaande jaren.
De berekeningen van werkgever zijn beoordeeld, herzien en uiteindelijk
geaccepteerd, als basis voor de te corrigeren premielonen.
De werkgever heeft hierbij overigens een berekening gemaakt voor het
totale horeca personeel en een berekening zonder het verkooppersoneel.
Deze laatste berekening is in verband met het voorgaande niet nader
beoordeeld.”
Het Uwv heeft op basis van voormeld looncontrolerapport appellante bij
besluiten van 26 november 2001 correctienota’s doen toekomen over de
jaren 1996 tot en met 2000. Tevens heeft het Uwv appellante bij
besluiten van 10 december 2001 boetenota’s doen toekomen over de jaren
1997 tot en met 2000. De opgelegde boetes bedragen 25% van de alsnog
verschuldigde premies.
In bezwaar, alsmede in beroep en hoger beroep heeft appellante zich
gekeerd tegen de correcties met betrekking tot de toepassing van het
Fooienbesluit ten aanzien van het personeel werkzaam in de coffeeshops.
Bij besluit van 23 augustus 2002 heeft het Uwv de bezwaren van appelante
tegen de nota’s ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv onder meer
overwogen dat op de onderneming van appellante de CAO voor het
Horecabedrijf van toepassing is. Hieruit vloeit voort dat op de
werknemers in de zin van deze CAO artikel 3 van het Fooienbesluit van
toepassing is. Aangezien het verkooppersoneel van de coffeeshops als
weknemer in de zin van de Horeca-CAO wordt aangemerkt, geldt naar de
mening van het Uwv ook voor die werknemers de fictie dat zij worden
geacht fooien en dergelijke prestaties van derden te genieten ter
grootte van het voor hen geldende minimumloon ingevolge de Horeca-CAO.
Omtrent de toepassing van het Fooienbesluit heeft de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak overwogen dat, gelet op hetgeen appellante heeft
betoogd, in de coffeeshops - naast softdrugs - dranken worden verkocht, die desgewenst ter plaatse
worden gebruikt. Het bedrijfsmatige karakter van de activiteiten van
appellante in de coffeeshops is niet betwist, en evenmin dat deze
activiteiten gepaard gaan met dienstverlening. Hieruit volgt naar het
oordeel van de rechtbank dat de coffeeshop als bedrijf moet worden
aangemerkt waarvoor het Bedrijfschap Horeca is ingesteld en derhalve
appellante werkgever is in de zin van de CAO en de medewerkers van de
door haar geëxploiteerde coffeeshops werknemers zijn in de zin van de
CAO. Toepassing van het Fooienbesluit is een wettelijke fictie waar niet
aan afdoet dat in de praktijk weinig fooien worden betaald. Terecht
heeft het Uwv dan ook bij de vaststelling van de premiecorrecties het
Fooienbesluit toegepast.
Met betrekking tot de opgelegde boetes heeft de rechtbank overwogen dat
appellante werkgever is van een aanzienlijk aantal werknemers dat
werkzaam is bij verschillende vestigingen, naast coffeeshops, onder meer
restaurants en cafés. Van appellante mocht worden verwacht dat zij
bekend was met de regeling van het Fooienbesluit ten aanzien van
werknemers van horecabedrijven. Appellante had er naar het oordeel van
de rechtbank niet van mogen uitgaan dat die regeling niet voor
coffeeshopmedewerkers zou gelden, maar navraag moeten doen bij het Uwv.
Het Uwv heeft dan ook terecht opzet of grove schuld aangenomen.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat een coffeeshop in
feite slechts een winkel is herhaald. Naar haar mening zijn de
horeca-activiteiten niet medebepalend voor het karakter van de
onderneming en/of van invloed op de continuïteit ervan. Appellante
heeft erop gewezen dat de Horeca-CAO slechts van toepassing is op
ondernemingen waarvoor een inschrijfplicht geldt bij het Bedrijfschap
Horeca en Catering. In dit verband heeft zij overgelegd een schrijven,
gedateerd 15 juni 2004 van het pensioenfonds Horeca & Catering dat
sinds 1 januari 2002 naast de administratie van collectieve
bedrijfstakregelingen ook de heffing voor het bedrijfschap verzorgt, in
welk schrijven het pensioenfonds heeft aangegeven dat na onderzoek is
komen vast te staan dat appellante niet inschrijfplichtig is. De
aansluiting is per 1 januari 2005 beëindigd.
Met betrekking tot de opgelegde boetes is appellante van mening dat, nu
zij heeft meegewerkt aan de correcties van de premielonen, er geen
plaats is voor oplegging van boetes.
De Raad volgt appellante hierin niet.
De Raad acht te dezen beslissend dat in de betrokken jaren appellante de
Horeca-CAO toepaste en appellante in die jaren ook was ingeschreven bij
het Bedrijfschap Horeca en Catering. Uit het schrijven van het
Pensioenfonds Horeca & Catering valt niet af te leiden dat deze
inschrijving in die jaren ten onrechte heeft plaatsgevonden. Uit dit
schrijven valt overigens evenmin af te leiden dat de beëindiging van de
inschrijving per 1 januari 2005 ook geldt voor de ondernemingen waarin
het personeel waarvoor appellante de loonadministratie verzorgt,
feitelijk werkzaam is.
Met betrekking tot de opgelegde boetes verenigt de Raad zich met hetgeen
de rechtbank daarover heeft overwogen. Dat appellante van haar kant
heeft meegewerkt aan de correcties, maakt dit niet anders.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van
der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus
20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde
toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
|
|