|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 06/5820
CSV
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 september 2006, 06/824
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 16 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 april 2007, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl
betrokkene bij die gelegenheid niet is verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant betrokkene bij
besluit van 3 januari 2006 op juiste gronden niet ontvankelijk heeft
verklaard wegens het feit dat betrokkene bij het instellen van bezwaar
de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8; 6:9 en 6:10 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen en dat niet is
gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs
geoordeeld kan worden dat betrokkene niet in verzuim is geweest.
De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant de brief van 12 juli 2005
had moeten aanmerken als een bezwaarschrift gericht tegen het op 5 juli
2005 bekendgemaakte primaire besluit, omdat uit de inhoud van de brief
van 12 juli 2005 op te maken was dat betrokkene het niet eens was met de
opgelegde boete. Op grond hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat
betrokkene tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het op 5 juli 2005
bekendgemaakte primaire besluit en dat appellant bij het bestreden
besluit het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bij
de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond
verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant opgedragen een
nieuw besluit te nemen en zich uitgesproken omtrent het griffierecht.
In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich niet te kunnen vinden in
het oordeel van de rechtbank dat de brief van 12 juli 2005 is aan te
merken als bezwaarschrift. Voor zover er al gesproken kan worden van een
bezwaarschrift in de zin van de Awb kan die, naar de mening van
appellant, gelet op de inhoud niet anders dan gericht zijn tegen de nota
van 11 juli 2005, betreffende de aanvullende definitieve premie over
2003.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat
betrokkene tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Met
appellant is de Raad van oordeel dat niet binnen de wettelijk
voorgeschreven bezwaartermijn bezwaar is gemaakt, terwijl de brief van
12 juli 2005 niet kan worden aangemerkt als het bezwaarschrift gericht
tegen het op 5 juli 2005 bekendgemaakte besluit. Naar het oordeel van
de Raad betreft de brief van 12 juli 2005 slechts een verzoek om
informatie ten aanzien van de op 11 juli 2005 verzonden aanvullende
definitieve premienota over het jaar 2003. Voor dit oordeel vindt de
Raad steun in het beroepschrift van betrokkene waarin onder punt 9 is
aangegeven dat op 12 juli 2005 een kort briefje aan appellant is
gezonden met het verzoek om uitleg over de op 11 juli 2005 gedateerde
factuur. Betrokkene heeft dit herhaald - zij het in andere bewoordingen
- bij brief van 27 augustus 2005 en nogmaals in haar schrijven van 28 december 2005.
Voorts ziet de Raad geen aanleiding om - zoals namens betrokkene in
hoger beroep is verzocht - dit geding op een andere wijze dan bij deze
uitspraak af te doen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen
uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal het
inleidend beroep alsnog ongegrond verklaren.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 16 mei 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|