|
Uitspraak
Rechtbank Dordrecht AWB 05/126
U I T S P R A A K
in de zaak van:
[XXX] te Dordrecht, eiser,
tegen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
I. ONTSTAAN EN LOOP
VAN HET GEDING
Verweerder heeft bij besluit van 27 september 2004 eiser een uitkering
krachtens de Wet arbeid en Zorg (verder te noemen: Wazo) geweigerd.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 oktober 2004 bezwaar
gemaakt bij verweerder.
Bij besluit van 27 december 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiser
ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 januari 2005 beroep
ingesteld bij de rechtbank.
De zaak is op 23 september 2005 behandeld ter zitting van een
enkelvoudige kamer.
Eiser is in persoon ter zitting verschenen.
Verweerder is ter zitting verschenen bij gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 3:2, eerste lid, van de Wazo heeft de werknemer in
verband met de adoptie van een kind recht op verlof zonder behoud van
loon.
Ingevolge het vierde lid van dit artikel zijn het eerste, tweede en
derde lid en de artikelen 3:3, tweede lid, 3:4 en 3:5 van
overeenkomstige toepassing op de werknemer die een pleegkind opneemt als
bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onder d.
Verweerder is bij het bestreden besluit, onder handhaving van zijn
besluit van 27 september 2004, op het standpunt blijven staan dat eiser
een uitkering krachtens de Wazo moet worden geweigerd, omdat in het
geval van eiser geen sprake is van adoptie maar van het in zijn gezin
opnemen van een erkend kind.
Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Hij heeft hiertoe - kort gezegd -
aangevoerd dat er sprake is van opname van een kind in het gezin
teneinde het langdurig te verzorgen en op te voeden, zodat eiser voldoet
aan de voorwaarde die is gesteld in een brochure die verweerder over dit
onderwerp heeft opgesteld.
De rechtbank overweegt het volgende.
Uit een akte van 21 november 2001 opgemaakt door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van het district [plaats] te Suriname blijkt dat op
[geboortedatum] uit [de vrouw] is geboren [kind]. Met toestemming van de
moeder heeft eiser op 5 maart 2003 [kind] erkend als zijn natuurlijk
kind. Op 21 januari 2004 heeft eiser per 6 oktober 2003 een Wazo-uitkering
aangevraagd in verband met adoptie of pleegzorg.
Vast staat dat eisers aanvraag niet ziet op adoptie of pleegzorg als
bedoeld in artikel 3:2 van de Wazo, maar dat het hier betreft het in het
gezin opnemen van een eigen natuurlijk erkend kind. Gelet hierop kon
eiser geen aanspraak maken op een Wazo-uitkering. Uit de tekst van
genoemde wetsartikelen maakt de rechtbank op dat de wetgever hierin een
limitatief bedoeld aantal gevallen heeft beschreven waarin een werknemer
recht heeft op verlof. Gelet hierop heeft verweerder geen ruimte om
rekening te houden met de door eiser genoemde feiten en omstandigheden.
Verweerder was derhalve gehouden de aanvraag van eiser af te wijzen
Verder kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn betoog dat hij rechten
kan ontlenen aan de inhoud van de brochure van verweerder. Nog
daargelaten dat een brochure algemene informatie verstrekt, is de
brochure in algemene termen gericht op inkomen bij zwangerschap, adoptie
en pleegzorg.
De situatie van eiser is in deze brochure niet beschreven. Het had dan
ook op de weg van eiser gelegen zich nader te laten informeren.
Overigens wordt ook in de brochure vermeld dat aan het gestelde in de
brochure geen rechten kunnen worden ontleend.
Uit het vorenstaande volgt dat verweerder terecht eiser een uitkering
krachtens de Wazo heeft geweigerd.
Eisers beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
III.
BESLISSING
De rechtbank Dordrecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, rechter, en door deze en C.
Groenewegen, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op:
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het
instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een
beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA
Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze
uitspraak.
|
|