|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/271
WARZO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 december 2005, 05/590
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[naam besloten vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna:
vennootschap),
en
appellant.
Datum uitspraak: 15 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens de vennootschap heeft mr. Y.L.S. Schipper, werkzaam bij Deloitte
MKB Accountancy & Advies B.V., een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De
vennootschap heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
[Naam betrokkene] (hierna: betrokkene) heeft haar werkzaamheden voor de
vennootschap wegens ziekte per 1 oktober 2003 gestaakt. Ingaande 26
september 2004 ontvangt betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In juni 2004 hebben de vennootschap en betrokkene in verband met
zwangerschap van betrokkene een aanvraag ingediend om een uitkering
ingevolge de Wet arbeid en zorg (Wazo), waarbij als ingangsdatum van het
zwangerschapsverlof 24 december 2004 is opgegeven. Deze aanvraag is bij
besluit van 28 december 2004 afgewezen. Het tegen het besluit van 28
december 2004 gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 24 maart
2005 ongegrond verklaard op de grond dat betrokkene per 26 september
2004 een uitkering ingevolge de WAO ontvangt, zodat zij vanaf die datum
niet meer is verzekerd voor de Ziektewet (ZW). Dit heeft volgens
appellant tot gevolg dat zij ingaande 24 december 2004 ook niet voor
toekenning van een uitkering ingevolge de Wazo in aanmerking komt.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 24 maart 2005 ingestelde
beroep - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank
overwogen dat tussen betrokkene en de vennootschap sprake was van een
arbeidsovereenkomst op grond waarvan zij moet worden aangemerkt als
werknemer als bedoeld in artikel 1:1 van de Wazo. De omstandigheid dat
betrokkene ten tijde hier in geding een WAO-uitkering genoot en geen arbeid verrichtte, doet aan het vorenstaande niet af. Hiermee staat
volgens de rechtbank vast dat betrokkene viel onder de omschrijving van
artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wazo.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd. Daarbij is onder verwijzing naar de toelichting op de Wazo aangevoerd dat de wetgever met de invoering van de
Wazo niet de intentie
heeft gehad om de (oude) onder de ZW geldende regeling ter zake van
zwangerschaps- en bevallingsuitkering te wijzigen.
De omstandigheid dat degene die een WAO-uitkering ontvangt op grond van
artikel 8a van de ZW mede als werknemer wordt beschouwd, houdt verband
met de mogelijkheid om ZW-premies te heffen. Om te voorkomen dat deze
werknemers recht kregen op ziekengeld, werden deze werknemers op grond
van artikel 21 van de ZW niet als verzekerden aangemerkt. Volgens
appellant heeft de wetgever met de invoering van de Wazo geen
uitbreiding van de groep rechthebbenden op een zwangerschaps- en
bevallingsuitkering beoogd. Appellant stelt dat betrokkene tegen deze
achtergrond niet kan worden aangemerkt als werknemer als bedoeld in
artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wazo. Voor zijn
standpunt vindt appellant voorts steun in de omstandigheid dat zowel de
WAO-uitkering als een eventuele door de vennootschap verstrekte
aanvulling op deze uitkering bij een dagloonberekening van de Wazo-uitkering buiten beschouwing worden gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 1:1, aanhef en onder b, van de Wazo wordt voor de
toepassing van deze wet onder werknemer verstaan degene die krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke
aanstelling arbeid verricht voor een werkgever.
Op grond van artikel 3:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wazo wordt voor het recht op uitkering in verband met zwangerschap en
bevalling onder het begrip werknemer verstaan de werknemer als bedoeld
in artikel 1:1, onderdeel b, met uitzondering van degene die op grond
van de Eerste Afdeling, Paragraaf 2, van de ZW geen werknemer in de zin
van die wet is.
Op grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo heeft de vrouwelijke
werknemer gedurende de periode dat het zwangerschaps- of
bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en
derde lid, recht op uitkering.
De Raad stelt vast - en door partijen is ook niet betwist - dat ten
tijde hier van belang tussen de vennootschap en betrokkene sprake was
van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder
b, van de Wazo. Op grond van artikel 8a van de ZW wordt betrokkene
beschouwd als werknemer, zodat zich in het onderhavige geval ook niet de
uitzondering voordoet als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Wazo. Hiermee staat vast dat betrokkene werknemer is als
bedoeld in artikel 3:6, aanhef en onder a, van de Wazo die op grond van
artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo gedurende de periode van
zwangerschaps- of bevallingsverlof recht heeft op uitkering.
Het argument dat het nimmer de bedoeling van de wetgever kan zijn
geweest dat in gevallen als de onderhavige, waarin op grond van de WAO
een uitkering wordt ontvangen, een recht op Wazo-uitkering zou worden
verkregen, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt
de Raad dat de omschrijving van het begrip werknemer in hiervoor
vermelde bepalingen volstrekt duidelijk is en dat er onvoldoende
rechtsbasis is om met een beroep op de bedoeling van de wetgever deze
duidelijke bepalingen terzijde te schuiven. Nu de Wazo niet een met
artikel 21 van de ZW gelijkluidende bepaling kent, kan de Raad voorts
niet tot een andere conclusie komen dan dat betrokkene op grond van
artikel 3:7 van de Wazo recht heeft op uitkering. Hetgeen door appellant
naar voren is gebracht met betrekking tot het dagloon, brengt de Raad
niet tot een ander oordeel aangezien dit niet ziet op het recht op
uitkering maar op de hoogte daarvan.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van
der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 15 maart 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) D. Olthof.
|
|