|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/2632
WAZO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 april 2005, 04/3146
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
Datum uitspraak: 18 april 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. W.H.J.M. Feliks een verweerschrift
ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes. Voor betrokkene is verschenen mr.
W.H.J.M. Feliks.
II. OVERWEGINGEN
Betrokkene is in 2000 in dienst getreden van [werkgever] te
[vestigingsplaats] (werkgever) in de functie van managementassistente
voor 32 uur per week (4 dagen per week).
In de verklaring van 7 april 2004 van de verloskundige is aangegeven dat
betrokkene op 29 juni 2004 haar kind verwacht.
Op het formulier van 15 april 2004 heeft de werkgever aangifte gedaan
van arbeidsongeschiktheid van betrokkene onder vermelding dat zij per 19
april 2004 voor 50% arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschap.
In de periode van 19 april 2004 tot 2 juni 2004 heeft betrokkene 16 uur
per week (twee dagen per week) gewerkt.
Met ingang van 19 april 2004 is betrokkene een uitkering ingevolge
artikel 29a, tweede lid, van de Ziektewet (ZW) toegekend ter hoogte van
100% van haar dagloon. De uitkering is in verband met het over de
gewerkte dagen genoten loon voor 50% uitbetaald.
Betrokkene is met ingang van 2 juni 2004 gestopt met werken in verband
met zwangerschapsverlof.
Op 8 juli 2004 is zij bevallen van haar kind.
Bij besluit van 6 september 2004 is betrokkene op grond van de Wet
arbeid en zorg (Wazo) een uitkering in verband met zwangerschap
toegekend over de periode van 2 juni 2004 tot en met 8 juli 2004 en een
uitkering in verband met bevalling over de periode van 9 juli 2004 tot
en met 17 september 2004.
Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van
12 november 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard, het bestreden besluit vernietigd en - met beslissingen over
vergoeding van proceskosten en griffierecht - appellant opgedragen een
nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van haar
uitspraak.
In de aangevallen uitspraak is overwogen dat betrokkene alleen over de
niet-gewerkte dagen in de zesde week en de vijfde week voorafgaand aan
de vermoedelijke bevallingsdatum ZW-uitkering heeft genoten en dat
derhalve alleen die dagen moeten worden aangemerkt als dagen waarover
zij ingevolge artikel 3:1, vierde lid, van de Wazo zwangerschapsverlof
heeft genoten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant bij de
vaststelling van de duur van het bevallingsverlof een onjuiste maatstaf
gehanteerd.
Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de vier gewerkte dagen in de
zesde en de vijfde week voorafgaand aan de vermoedelijke bevallingsdatum
dagen zijn waarover betrokkene ziekengeld heeft genoten en aangemerkt
moeten worden als dagen waarop zij zwangerschapsverlof heeft genoten.
Betrokkene heeft gesteld dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad overweegt als volgt.
In artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo is bepaald dat de vrouwelijke
werknemer gedurende de periode dat het zwangerschaps- of
bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en
derde lid, recht heeft op uitkering.
Ingevolge artikel 3:1, derde lid, van de Wazo gaat het bevallingsverlof
in op de dag na de bevalling en bedraagt het bevallingsverlof tien
aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het
zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan
wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van
bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen.
In het vierde lid van artikel 3:1 van de Wazo is bepaald dat voor de
toepassing van het derde lid dagen waarover de vrouwelijke werknemer op
grond van artikel 29a, tweede lid, van de ZW ziekengeld heeft genoten in
de periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof
nog niet is ingegaan, aangemerkt worden als dagen waarover zij
zwangerschapsverlof heeft genoten.
Naar het oordeel van de Raad volgt uit de systematiek van de ZW dat
betrokkene op alle dagen in de periode vanaf 19 april 2004 waarop zij
(voortdurend) ongeschikt was voor haar volledige eigen werk, recht had
op ZW-uitkering. Betrokkene heeft de ZW-uitkering over de periode van 19
april 2004 tot 2 juni 2004 - vier weken voor de vermoedelijke
bevallingsdatum - ook daadwerkelijk genoten.
Daaraan doet niet af dat zij in die periode twee dagen per week heeft
gewerkt en over die dagen loon heeft ontvangen. Anders dan de rechtbank
heeft geoordeeld, brengt de omstandigheid dat de uitkering in verband
met genoten inkomsten ingevolge artikel 31, tweede lid, van de ZW
slechts voor 50% is uitbetaald, niet mee dat betrokkene alleen over de
niet-gewerkte dagen ZW-uitkering zou hebben genoten en niet tevens over
de gewerkte dagen.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is in dit verband de vraag of
het aanmerken van gewerkte dagen als ziektedagen strijdig zou zijn met
de maatschappelijke realiteit - wat daar ook van zij - niet
rechtens relevant.
De Raad concludeert dat de dagen in de zesde week en de vijfde week
voorafgaand aan de vermoedelijke bevallingsdatum waarop betrokkene heeft
gewerkt - evenals die waarop zij niet heeft gewerkt - dagen zijn
waarover zij ziekengeld heeft ontvangen zodat deze moeten worden
aangemerkt als dagen waarop zij zwangerschapsverlof heeft genoten.
Hieruit volgt dat appellant terecht deze dagen bij de vaststelling van
de periode van het bevallingsverlof buiten beschouwing heeft gelaten.
De Raad verwerpt hetgeen betrokkene overigens bij de rechtbank tegen het
bestreden besluit heeft aangevoerd. De Raad ziet niet in dat geen sprake
zou zijn van een eenduidige uitvoering van de ZW doordat de uitkering
slechts voor 50% is uitbetaald, terwijl betrokkene voor de toepassing
van die wet volledig arbeidsongeschikt was. Gelet op de hiervoor
aangehaalde systematiek van de ZW is van een tegenstrijdigheid in de
door betrokkene geschetste uitvoeringswijze geen sprake.
De stelling van betrokkene dat zij, afgaande op telefonisch en via de
internetsite van het Uwv ingewonnen informatie, erop mocht vertrouwen
dat het zwangerschapsverlof eerst vier weken voor de vermoedelijke
bevallingsdatum zou ingaan verwerpt de Raad nu niet is gebleken van
enige daartoe strekkende schriftelijke ongeclausuleerde toezegging van
het Uwv.
Voor aanvaarding van betrokkenes stellingen dat de besluitvorming
willekeurig is en met vooringenomenheid tot stand zou zijn gekomen, ziet
de Raad geen grond. Anders dan door betrokkene gesteld, is appellant in
het bestreden besluit en ook anderszins op haar geval ingegaan.
Van een overschrijding van de termijn voor het nemen van de beslissing
op het bezwaarschrift van 8 september 2004, was - nog daargelaten of aan
een overschrijding daarvan gevolgen zouden moeten worden verbonden -
geen sprake nu het bestreden besluit op 12 november 2004 is genomen en
die termijn ingevolge artikel 3:16, eerste lid, aanhef en onder i, van
de Wazo in verbinding met artikel 74 van de ZW op 12 november 2004 nog
niet was verstreken.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden
vernietigd en dat het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
alsnog ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu voorts de aangevallen
uitspraak zal worden vernietigd, komt de Raad aan beantwoording van de
vraag die partijen mede verdeeld hield, namelijk of sprake is van
beroepsmatig verleende rechtsbijstand, niet toe.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van
Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.
van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.
(get.)
M.C. Bruning.
(get.)
P. van der Wal.
|
|