|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/2339 IOAZ
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede,
appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 27 april 2000 is hoger beroep ingesteld tegen de door de
rechtbank Almelo op 22 maart 2000, reg.nr. 99/883 IOAZ,
tussen partijen gewezen uitspraak. Bij brief van 9 mei 2000 zijn de
gronden voor het hoger beroep kenbaar gemaakt.
Namens gedaagde heeft mr. W.J. van der Leest, advocaat te Enschede, een
verweerschrift ingediend.
Namens appellant is desgevraagd een nader stuk ingezonden bij brief van
4 november 2002.
II. MOTIVERING
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het beroep van gedaagde tegen een besluit
van appellant ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)
van 26 augustus 1999 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van die uitspraak.
Bij het beroepschrift van 27 april 2000 is namens appellant tegen de
aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld door de chef afdeling
Bijzonder Onderzoek & Bezwaar en Beroep van de gemeente Enschede.
Bij brief van 4 november 2002 is een afschrift gezonden van een gedeelte
van het Mandaatbesluit 1998 van de gemeente Enschede, waaruit blijkt dat
deze chef mandaat is verleend tot het instellen van hoger beroep, indien
het niet mogelijk is om binnen de hogerberoepstermijn een besluit van
appellant te verkrijgen.
De Raad ziet zich ambtshalve allereerst gesteld voor de vraag naar de
ontvankelijkheid van het hoger beroep.
In artikel 18 van de Beroepswet - voorzover hier van belang - is bepaald
dat hoger beroep bij de Raad tegen een daarvoor in aanmerking komende
uitspraak van de rechtbank kan worden ingesteld door een belanghebbende
en het bestuursorgaan. In het onderhavige geval is appellant het
betrokken bestuursorgaan.
Op grond van artikel 168 van de Gemeentewet (tekst van 1 januari 1994
tot en met 15 januari 2002) kan het College van burgemeester en
wethouders (het College) de uitoefening van een of meer van zijn
bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden, tenzij de regeling
waarop de desbetreffende bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.
Gesteld noch gebleken is dat op het in dit geding van belang zijnde
tijdstip ten aanzien van de bevoegdheid van appellant tot het instellen
van hoger beroep in zaken betreffende de toepassing van de Ioaz
toepassing was gegeven aan artikel 168 van
de Gemeentewet.
Artikel 43, eerste en tweede lid, van de Ioaz
(tekst sedert 1 januari 1999) luidt:
"1. Burgemeester en wethouders kunnen slechts met toestemming van
de gemeenteraad aan gemeenteambtenaren mandaat verlenen tot het nemen
van besluiten inzake de verlening van uitkering. Burgemeester en
wethouders geven daarbij algemene instructies.
2. Het mandaat kan zich niet uitstrekken tot het beslissen op
bezwaarschriften en tot het instellen van beroep."
Uit de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 43, tweede
lid, van de Ioaz
volgt dat aan het instellen van beroep een
besluit van het betrokken College zélf ten grondslag dient te liggen.
Mandatering van die bevoegdheid (aan een gemeenteambtenaar) is niet
toegestaan. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever dit
vereiste heeft gesteld omdat “het belang van de te beslissen zaken
vereist (...) dat wordt beslist door het bestuurlijk college dat voor
het bestreden besluit verantwoordelijk is”.
De Raad heeft geen aanknopingspunt gevonden voor een oordeel van de
wetgever dat dit niet evenzeer zou (behoren te) gelden voor andere
besluiten tot het instellen van een rechtsmiddel, waaronder hoger
beroep.
Voorts heeft de Raad met betrekking tot het aan artikel 43 Ioaz
identieke artikel 120 van de Algemene
bijstandswet (Abw) reeds in zijn uitspraak van 23 juli 2002,
gepubliceerd in USZ 02/233, overwogen dat het wettelijke stelsel van
enerzijds een (behoudens artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht)
strikte termijn voor het instellen van hoger beroep van zes weken en
anderzijds het (behoudens artikel 168 van de Gemeentewet) even strikte
vereiste van artikel 120, tweede lid, van de Abw met zich brengt dat een
besluit van het betrokken College tot het instellen van hoger beroep vóór
het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep moet
zijn genomen.
Voor een andersluidend oordeel ziet de Raad geen ruimte.
Met dit wettelijk stelsel acht de Raad overigens niet in strijd een
binnen de termijn voor het instellen van hoger beroep namens het
betrokken College ingesteld hoger beroep ontvankelijk te achten, indien
het besluit van dat College vóór het verstrijken van de termijn voor
het instellen van hoger beroep is genomen, maar eerst na het verstrijken
van die termijn door de Raad wordt ontvangen.
Op grond van de namens appellant ingezonden stukken kan als vaststaand
worden aangenomen dat niet vóór het verstrijken van de
hogerberoepstermijn een besluit ter zake door appellant is genomen.
Gelet op het vorenstaande acht de Raad het hoger beroep kennelijk
niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals
hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de
proceskosten in hoger beroep van gedaagde, begroot op € 322,-- voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Enschede;
Bepaalt dat van de gemeente Enschede een griffierecht van € 327,--
wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3
december 2002.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan
binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet
doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid
te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
|
|