|
Uitspraak
01/717 NIOAZ en 01/724 NIOAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant 1] en [appellante 2], beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlagtwedde,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. A.F. van den Berg, juridisch medewerker van
het Bureau voor Rechtshulp te Assen, op bij beroepschrift aangegeven
gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de president van de
rechtbank Groningen op 2 januari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad zijn namens appellanten nog enige stukken in het
geding gebracht.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22
juli 2003, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant [appellant 1] (hierna: [appellant 1]) ontving sedert 23
november 1998 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz),
berekend naar de grondslag voor een alleenstaande. Nadat [appellant 1]
aan gedaagde te kennen had gegeven dat hij met ingang van 1 januari 2000
samenwoont met appellante [appellante 2] (hierna: [appellante 2]), heeft
gedaagde de betaling van de uitkering vanaf 1 januari 2000 opgeschort en
onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de uitkering van [appellant
1]. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft gedaagde
geconcludeerd dat [appellant 1] sedert 30 september 1999 met [appellante
2] een gezamenlijke huishouding voert en dat er sedertdien geen recht op
Ioaz-uitkering bestaat op grond van het gezamenlijke inkomen.
Bij besluit van 30 juni 2000 heeft gedaagde de uitkering ingevolge de Ioaz
van [appellant 1] met ingang van 30 september 1999 ingetrokken op de
grond hij vanaf die datum met [appellante 2] een gezamenlijke
huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz
en daarvan aan gedaagde ten onrechte niet tijdig mededeling heeft
gedaan. Tevens heeft gedaagde bij dat besluit de als gevolg hiervan
gedurende de periode van 30 september 1999 tot en met 31 december 1999
betaalde uitkering tot een bedrag van f 4.916,03 van [appellant 1] en
mede van [appellante 2] teruggevorderd.
Bij besluit van 24 juli 2000 heeft gedaagde aan [appellant 1] een boete
opgelegd van f 750,-- wegens schending van de op hem rustende
inlichtingenplicht.
Bij besluit van 10 oktober 2000 is het namens [appellant 1] tegen de
intrekking, de terugvordering en de boete gemaakte bezwaar en het namens
[appellante 2] gemaakte bezwaar tegen de terugvordering mede van haar
ongegrond verklaard. Gedaagde heeft hierbij onder meer overwogen dat met
het inkomen van [appellante 2] bij de vaststelling van de Ioaz-uitkering
van [appellant 1] rekening wordt gehouden op grond van artikel 7, eerste
lid, aanhef en onder d, van het op de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) gebaseerde
Inkomensbesluit Ioaw.
Bij de aangevallen uitspraak is, voorzover van belang, het namens
[appellant 1] en [appellante 2] tegen het besluit van 10 oktober 2000
ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer geoordeeld
dat [appellant 1] en [appellante 2] met ingang van 30 september 1999 een
gezamenlijke huishouding voeren en dat met de inkomsten van [appellante
2] bij de vaststelling van de Ioaz-uitkering van [appellant 1] met
ingang van die datum terecht rekening is gehouden, zodat de
Ioaz-uitkering van [appellant 1] terecht met ingang van 30 september
1999 is ingetrokken.
Het hoger beroep van [appellant 1]
Het oordeel van de president van de rechtbank dat [appellant 1] en
[appellante 2] met ingang van 30 september 1999 een gezamenlijke
huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz
voeren is niet bestreden. Dat betekent dat zij ten tijde hier van belang
voor de toepassing van de Ioaz als
echtgenoten moesten worden aangemerkt. Hiervan uitgaande staat ter
beoordeling van de Raad de tussen partijen in geschil zijnde vraag of de
president van de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het inkomen van
[appellante 2] als inkomen in verband met arbeid in aanmerking moest
worden genomen. Naar de mening van [appellant 1] en [appellante 2]
betreft de door [appellante 2] ontvangen uitkering ingevolge de Duitse
wetgeving inkomen dat niet in het Inkomensbesluit Ioaw wordt genoemd en
waarmee derhalve bij de vaststelling van de Ioaz-uitkering van
[appellant 1] geen rekening mag worden gehouden. De Raad overweegt
dienaangaande het volgende.
Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ioaz
bepaalt dat als inkomen wordt aangemerkt voor de gewezen zelfstandige en
de echtgenoot: de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in
het bedrijfs- en beroepsleven van hemzelf en zijn echtgenoot. Ingevolge
artikel 8, derde lid, van de Ioaz
worden bij algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende
regels gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het eerste lid
van dat artikel en in artikel 5, tweede en derde lid. De desbetreffende
algemene maatregel van bestuur is het Inkomensbesluit Ioaz.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Ioaz
bedraagt de uitkering het verschil tussen de van toepassing zijnde
grondslag en het inkomen.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het
Inkomensbesluit Ioaz wordt onder
inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:
het inkomen als bedoeld in artikel 7 van het Inkomensbesluit Ioaw, met
uitzondering van het eerste lid, onderdeel q, met dien verstande dat
hieronder mede wordt verstaan een uitkering op grond van de Ioaw.
Artikel 7, eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw, bepaalt dat onder
inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven wordt
verstaan:
(a) een uitkering op grond van de verplichte verzekering van de
Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, een
uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, of aanvullende uitkeringen op grond van hoofdstuk III,
Afdeling III, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb.
1986, 567), alsmede uitkeringen die naar aard en strekking daarmede
overeenkomen;
(...)
(d) een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke sociale
verzekeringsregeling, voor zover niet begrepen onder a,
(...).
Uit de gedingstukken blijkt dat aan [appellante 2] bij besluit van 16
juli 1986 door het Bundesversicherungsanstalt für Angestellte met
ingang van 1 september 1986 een zogeheten Hinterbliebenenrente is
toegekend. Blijkens dit besluit betreft deze rente uitkering op grond
van een sociale verzekeringsregeling ingevolge de Duitse wetgeving. Nu
deze uitkering niet valt onder de opsomming van uitkeringen onder a van
het eerste lid van artikel 7 van het Inkomensbesluit Ioaw genoemde
wetten en evenmin een uitkering is die naar aard en strekking daarmee
overeenkomt, is deze Hinterbliebenenrente door gedaagde terecht
aangemerkt als een uitkering als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
d, van het Inkomenbesluit Ioaw.
Gelet hierop heeft gedaagde de Hinterbliebenenrente van [appellante 2]
terecht aangemerkt als in aanmerking te nemen inkomen in verband met
arbeid. Onbetwist is dat de hoogte van de uitkering van [appellante 2]
meer bedroeg dan de van toepassing zijnde grondslag. Aangezien
[appellant 1] van het voeren van een gezamenlijke huishouding met
[appellante 2] vanaf 30 september 1999 niet onverwijld uit eigen
beweging mededeling heeft gedaan aan gedaagde, is hij de in artikel 13,
eerste lid, van de Ioaz neergelegde
inlichtingenplicht niet naar behoren nagekomen. Gedaagde heeft dan ook
terecht met toepassing van artikel 17, derde lid, van de Ioaz
het recht op uitkering ingevolge die wet van [appellant 1] met ingang
van 30 september 1999 ingetrokken. Van dringende redenen om geheel of
gedeeltelijk van intrekking af te zien is de Raad niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat met betrekking tot de periode
van 30 september 1999 tot en met 31 december 1999 is voldaan aan de
voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 25, eerste
lid, van de Ioaz. Van dringende redenen
om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet
gebleken.
Met betrekking tot de boete overweegt de Raad als volgt.
Gedaagde heeft ingevolge artikel 3 van het destijds geldende Besluit
tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz
een boete opgelegd van f 750,-- (15% van het benadelingsbedrag van f
4.916,03, naar boven afgerond op een veelvoud van f 25,--). Ingevolge
artikel 2, eerste en tweede lid, van het Boetebesluit (Stb. 2000, 462)
wordt de boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien
verstande dat de boete naar boven wordt afgerond op een veelvoud van
11,-- en wordt vastgesteld op tenminste 45,--. Nu vaststaat dat het
vanaf 1 februari 2001 geldende Boetebesluit voorziet in een lagere boete
dan waartoe gedaagde heeft besloten, leidt, zoals de Raad heeft
overwogen in zijn uitspraak van 1 maart 2000, gepubliceerd in RSV
2000/87 en USZ 2000/113, artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ertoe
dat het besluit van 10 oktober 2000 niet in stand kan blijven voorzover
dat betrekking heeft op de opgelegde boete.
De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot de boete
zelf in de zaak te voorzien. Toepassing van artikel 20a van de Ioaz
in verbinding met artikel 2, eerste en tweede lid, van het Boetebesluit
brengt mee dat in het onderhavige geval de boete moet worden vastgesteld
op 231,--, zijnde 10% van f 4.916,03, naar boven afgerond op een
veelvoud van 11,--.
De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op grond van de
ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging aan [appellant 1]
kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, de boete
op een ander bedrag dan 231,-- moet worden vastgesteld. Van
dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van het opleggen van een
boete af te zien is de Raad niet gebleken.
[appellant 1] heeft verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van
de wettelijke rente op grond van artikel 8:73 van de Awb. De
onrechtmatigheid van het besluit tot het opleggen van een boete van f
750,-- is komen vast te staan. Voorts staat vast dat [appellant 1] door
dat besluit renteschade heeft geleden, nu hij deze boete inmiddels heeft
voldaan. Aangezien niet is gebleken van bijzondere omstandigheden rust
op gedaagde de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de
artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. Het bedrag waarover
wettelijke rente moet worden berekend bedraagt het verschil tussen het
bedrag van de door [appellant 1] aan gedaagde betaalde boete en
231,--. De eerste dag waarop wettelijke rente verschuldigd is moet
worden gesteld op de dag waarop het bedrag van de door [appellant 1]
betaalde boete van zijn bankrekening is gedebiteerd. Bij de berekening
van de wettelijke rente dient telkens na afloop van een jaar het bedrag
waarover de wettelijke rente wordt berekend, te worden vermeerderd met
de over dat jaar verschuldigde rente.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van [appellant 1]. Deze kosten worden begroot op 644,--
in beroep en op 644,-- in hoger beroep voor verleende
rechtsbijstand, in totaal 1.288,--.
Het hoger beroep van [appellante 2]
Nu, gelet op het vorenoverwogene, vaststaat dat de uitkering van
[appellant 1] met inachtneming van artikel 3 van de Ioaz
had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat
[appellant 1] de ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Ioaz
op hem rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen, is gegeven dat ten
aanzien van [appellante 2] is voldaan aan de voorwaarden van
terugvordering met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Ioaz.
Gedaagde was derhalve gehouden het bedrag van de ten onrechte aan
[appellant 1] betaalde uitkering ingevolge de Ioaz
mede van [appellante 2] terug te vorderen. Van dringende redenen om
geheel of gedeeltelijk van terugvordering ten aanzien van [appellante 2]
af te zien, is de Raad niet gebleken.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Met betrekking tot het hoger beroep van [appellant 1]
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 10 oktober 2000, voorzover betrekking hebbend
op de opgelegde boete;
Bepaalt dat aan [appellant 1] een boete wordt opgelegd van 231,--;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van renteschade en van proceskosten
van [appellant 1] als hiervoor in rubriek II is aangegeven, te betalen
door de gemeente Vlagtwedde aan [appellant 1];
Bepaalt dat de gemeente Vlagtwedde aan [appellant 1] het betaalde
griffierecht van in totaal 104,37 (f 230,--) vergoedt.
Met betrekking tot het hoger beroep van [appellante 2]
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A.
van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 20 augustus 2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|