|
Uitspraak
01/4361 NIOAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op de door mr. P. Winkelman, advocaat te Tiel, bij een
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
de door de rechtbank Arnhem op 4 juli 2001 tussen partijen gewezen
uitspraak, reg.nr. AWB 00/210, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van appellante heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 januari 2004, waar voor
appellante zijn verschenen mr. Winkelman alsmede haar echtgenoot [naam
echtgenoot] en haar dochter A.M.H. van de Geijn. Gedaagde heeft zich
doen vertegenwoordigen door E.A.W. Elbers, werkzaam bij de gemeente
Druten.
II. MOTIVERING
Appellante heeft samen met haar echtgenoot vanaf 1977 een bedrijf
gevoerd onder de naam Hegeco Industrie/Hobby, dat zich bezighield met
de verkoop, verhuur en reparatie van gereedschap en machines. Naar
aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag is aan de echtgenoot van
appellante van 15 juli 1997 tot en met 30 september 1997 een uitkering
op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen verleend.
Appellante heeft op 15 juli 1997 met het oog op de voorgenomen beëindiging
van het bedrijf een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)
aangevraagd. In verband met deze aanvraag heeft zij bij brief van 5
november 1997 aan gedaagde een afschrift van haar aan de afdeling
inschrijvingen van de Kamer van Koophandel gerichte brief van 26
september 1997 doen toekomen waarin - onder voorbehoud van de toewijzing
van de aanvraag - mededeling wordt gedaan van de beëindiging van het
bedrijf per 1 oktober 1997.
Bij besluit van 28 november 1997 is aan appellante met ingang van 1
oktober 1997 een uitkering op grond van de Ioaz toegekend naar de
grondslag voor een echtpaar. Aan de verlening van die uitkering is onder
meer de voorwaarde verbonden dat appellante voor 1 juli 1998 een aantal
stukken, waaronder de liquidatiebalans en de definitieve uitschrijving
bij de Kamer van Koophandel, overlegt.
In september 1998 heeft gedaagde de uitbetaling van de uitkering in
afwachting van nader onderzoek over de maanden augustus tot en met
november 1998 geblokkeerd. Bij brief van 28 september 1998 is appellante
van deze blokkering op de hoogte gesteld.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 23 november 1998 het recht op
Ioaz-uitkering van appellante met ingang van 1 oktober 1997 ingetrokken
en de kosten van de aan haar over de periode van 1 oktober 1997 tot en
met 31 juli 1998 verleende uitkering van haar teruggevorderd.
Bij besluit van 14 december 1999 heeft gedaagde het bezwaar dat door
appellante tegen de blokkering van de uitkering is gemaakt gegrond
verklaard, voorzover deze blokkering langer dan drie maanden heeft
geduurd, en het tegen het besluit van 23 november 1998 gemaakte bezwaar
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond
verklaard dat namens appelante tegen het besluit van 14 december 1999 is
ingesteld.
Namens appellante is de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.
De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen.
Met betrekking tot de blokkering van de uitkering
Uit de door gedaagde op 22 september 1998 bij de Kamer van Koophandel
verkregen informatie is naar voren gekomen dat de brief van appellante
van 26 september 1997 niet is ontvangen en dat uitschrijving van het
bedrijf van appellante en haar echtgenoot uit het Handelsregister niet
heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Raad leverde dit gegeven
voldoende grond op voor het vermoeden dat appellante geen recht had op
uitkering ingevolge de Ioaz, in aanmerking genomen dat in artikel 6,
eerste lid, van de Ioaz is bepaald dat geen recht ontstaat zolang het
bedrijf of beroep door de zelfstandige en de echtgenoot niet is beëindigd.
In verband hiermee is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat
blokkering van de uitbetaling van de uitkering in afwachting van nader
onderzoek naar het recht op uitkering geoorloofd was.
Met betrekking tot de intrekking en de terugvordering van de
Ioaz-uitkering
De intrekking van het recht op uitkering over de periode van 1 oktober
1997 tot en met 31 juli 1998 berust gelet op het besluit van 14 december
1999 en de daarop ter zitting van de zijde van gedaagde gegeven
toelichting op de aan artikel 6, eerste lid, van de Ioaz ontleende grond
dat niet is aangetoond dat het bedrijf gedurende die periode was beëindigd.
Zoals blijkt uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, hebben
de dochters van appellante en haar echtgenoot het bedrijf met ingang van
23 september 1998 onder een andere naam voortgezet. Uit de in hoger
beroep ingezonden jaarstukken, waaronder de liquidatiebalans, komt naar
voren dat appellante en haar echtgenoot de bedrijfsactiviteiten tot 1
oktober 1998 hebben voortgezet. De ter zitting namens appellante
betrokken stelling dat zij en haar echtgenoot de bedrijfsvoering al in
de loop van de hier in geding zijnde periode van 1 oktober 1997 tot 1
augustus 1998 hebben gestaakt is niet onderbouwd en strookt niet met de
in beroep door appellante en haar dochter [naam dochter] afgelegde
verklaringen. De omstandigheid dat de dochters van appellante in die
periode al werkzaamheden in het bedrijf zouden hebben verricht leidt de
Raad niet tot een ander oordeel.
Het voorgaande brengt mee dat appellante op grond van artikel 6, eerste
lid, van de Ioaz gedurende de periode van 1 oktober 1997 tot en met 31
juli 1998 geen recht had op uitkering ingevolge de Ioaz. De Raad tekent
hierbij aan dat de in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder 40, van de
Ioaz vermelde voorwaarde dat de beëindiging van het bedrijf moet hebben
plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar blijkens de
wetsgeschiedenis van deze bepaling verband houdt met de beoordeling van
de aanvraag. Indien aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, kan het
recht op Ioaz-uitkering eerst geldend worden gemaakt na de indiening van
een nieuwe aanvraag.
De Raad stelt voorts vast dat appellante aan gedaagde geen opening van
zaken heeft gegeven over het tijdstip waarop het bedrijf is beëindigd
en daarmee de ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Ioaz op haar
rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, met als gevolg dat haar
ten onrechte uitkering is verleend. Gelet hierop was gedaagde gehouden
om het recht op uitkering van appellante over de hiervoor vermelde
periode met toepassing van artikel 17, derde lid, aanhef en onder a, van
de Ioaz in te trekken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17,
vijfde lid, van de Ioaz om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te
zien is de Raad niet gebleken.
Hiermee is tevens gegeven dat met betrekking tot de periode van 1
oktober 1997 tot en met 31 juli 1998 is voldaan aan de voorwaarden voor
toepassing van artikel 25, eerste lid, van de Ioaz. De Raad is niet
gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 25, vierde lid,
van de Ioaz om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J.
van Vulpen-Grootjans en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 3 februari 2004.
(get.) G.A.J van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
|
|