|
Uitspraak
02/2837 NIOAZ en 02/2839 NIOAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Haarlem van 17 april 2002, reg.nr. 01-1274 Ioaz.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 juli 2004, waar appellanten in
persoon zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door R.C.F. de Vos, werkzaam bij de gemeente Haarlem.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 4 november 1996 is aan appellanten met ingang van 1
november 1995 een uitkering toegekend ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz). Daarbij zijn appellanten voorlopig tot aan het
volgende heronderzoek vrijgesteld van de verplichtingen gericht op
inschakeling in de arbeid.
Bij besluit van 24 november 2000 is aan appellante onder verwijzing naar
artikel 35 van de per 1 januari 1996 in werking getreden Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen medegedeeld dat zij met ingang van die datum weer volledig
aan alle verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling moet voldoen.
Tevens is daarbij medegedeeld dat appellant op grond van zijn leeftijd
is vrijgesteld van deze verplichtingen.
Bij besluit van 30 juli 2001 heeft gedaagde, voorzover van belang, het
bezwaar van appellanten tegen het besluit van 24 november 2000 gegrond
verklaard en bepaald dat appellante met ingang van 1 oktober 2001 aan
die verplichtingen dient te voldoen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 30 juli 2001 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd en daarbij aangevoerd bezwaar te hebben tegen het niet langer
vrijstellen van appellante van de verplichtingen gericht op inschakeling
in de arbeid.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellante ontving vanaf 1 november 1995 een uitkering ingevolge de Ioaz.
Met ingang van 1 januari 1996 is de Ioaz in werking getreden.
Ingevolge artikel 20 van de Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet (IHABW) zijn ten aanzien van degene die in de peilmaand
recht had op een uitkering ingevolge de Ioaz en wiens recht op de
peildag niet is geëindigd de artikelen 4 en 5 van deze wet van
overeenkomstige toepassing. Ingevolge het bepaalde in artikel 4, eerste
lid, van de IHABW blijft de Algemene Bijstandswet (ABW) gedurende ten
hoogste 12 maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Abw van
toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op
algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd. Dit
betekent dat de Ioaz ten aanzien van bedoelde personen gedurende ten
hoogste 12 maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Ioaz van
toepassing blijft.
Appellanten hadden in de maand december 1995 recht op een uitkering
ingevolge de Ioaz en hun recht was op 31 december 1995 niet geëindigd.
Vaststaat dat omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van
de IHABW zich niet hebben voorgedaan, zodat op appellanten vanaf 1
januari 1997 de Ioaz van toepassing is geworden.
Uit artikel 35 van de Ioaz vloeit voort dat de daarin opgenomen
verplichtingen van rechtswege aan de uitkering zijn verbonden en in
beginsel voor ieder van de echtgenoten gelden. Van vrijstelling, zoals
voorzien in artikel 36, tweede lid, van de Ioaz, wegens het vervullen
van een verzorgende taak voor een of meer (pleeg)kinderen jonger dan
vijf jaar is in dit geval geen sprake. Dat betekent dat een
belanghebbende als appellante, die jonger is dan 57,5 jaar, moet
voldoen aan de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, tenzij
naar het oordeel van gedaagde redenen van medische of sociale aard dan
wel redenen gelegen in de aard en het doel van de uitkering zich
daartegen zouden verzetten. Voor die gevallen is gedaagde op grond van
artikel 36, tweede lid, van de Ioaz bevoegd tijdelijk ontheffing te
verlenen van deze verplichtingen. De aanwezigheid van dergelijke redenen
is noch gesteld, noch is daarvan gebleken.
Ten aanzien van de grief dat appellante erop had mogen vertrouwen dat
zij blijvend zou zijn vrijgesteld van de verplichtingen gericht op
inschakeling in de arbeid overweegt de Raad dat een zodanige,
ongeclausuleerde toezegging in het toekenningsbesluit van 4 november
1996, dat gebaseerd was op de toen van toepassing zijnde wettelijke
bepalingen, niet valt te lezen. De verdere verlening van de uitkering
wordt beheerst door wettelijke bepalingen die zonder instemming van de
belanghebbende door de regelgever kunnen worden (en in dit geval ook
zijn) gewijzigd. Het beroep van appellante op artikel 26 van de Ioaz, op
grond waarvan de voorwaarden gericht op inschakeling in de arbeid niet
worden opgelegd indien de arbeid langer dan twee jaar geleden werd beëindigd,
treft in het licht van het vorenstaande geen doel.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr.
I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli
2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) I.D. Veldman.
|
|