|
Uitspraak
04/2399 NIOAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 26 april 2004, reg. nr. 03/442 IOAZ.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 31 augustus 2004, waar appellant
in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Appellant is vanaf 1 juli 1991 als zelfstandige werkzaam geweest in de
eenmanszaak [naam eenmanszaak] te [vestigingsplaats]. In 1998 is de
eenmanszaak omgezet in een vennootschap onder firma met appellant en
zijn echtgenote als vennoten.
Op 28 november 1999/11 januari 2000 heeft appellant een aanvraag om
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)
en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz)
ingediend. Hij heeft daarbij onder meer aangegeven sedert mei 1999
volledig arbeidsongeschikt te zijn en zijn inschrijving in het
handelsregister van de Kamer van Koophandel te hebben beëindigd.
Bij besluit van 27 januari 2000 heeft gedaagde appellant van 29 oktober
1999 tot en met 31 december 1999 bijstand ingevolge de Abw
en het Bbz toegekend. Die uitkering is
beëindigd op de grond dat appellant na laatstgenoemde datum geen
zelfstandige in de zin van de wet meer is. Aansluitend is appellant een
uitkering ingevolge de Abw toegekend.
Bij een tweede, eveneens op 27 januari 2000 genomen besluit heeft
gedaagde onder meer het volgende verstaan:
"Op 28 november 1999 vroeg u uitkering aan op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz). Alleen de heer Geest behoort tot de personenkring
van de Ioaz, aangezien hij wordt aangemerkt als een gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandige in de zin van de Ioaz (art. 2,
eerste lid, sub b, art. 2, derde lid en art. 5, derde lid, Ioaz), mits de
beëindiging van het bedrijf of beroep plaatsvindt binnen een periode
van anderhalf jaar volgend op de aanvraagdatum en hij recht heeft op
uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder
dan 80%.
U hebt uw aanvraag tijdig ingediend, dat wil zeggen voor de beëindiging
van het bedrijf of zelfstandig beroep. Wij kennen u daarom na de datum
van beëindiging van het bedrijf of beroep het recht op uitkering toe
onder de voorwaarden dat:
- de heer Geest recht heeft op uitkering op grond van de WAZ, berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% (art. 2, eerste lid,
sub b, Ioaz);
- u een inkomen hebt dat lager is dan de grondslag die op u van
toepassing is (art. 5, eerste lid, Ioaz);
- u niet in een situatie verkeert dat op u een uitsluitingsgrond van
toepassing is (art. 6, derde lid, Ioaz);
- u uw woonplaats hebt in de gemeente Amsterdam (art. 11 Ioaz).
Indien u het bedrijf of zelfstandig beroep niet voor bovenvermelde datum
hebt beëindigd, vervalt het recht op Ioaz."
Bij besluit van 25 april 2001 is appellant met ingang van 10 mei 2000
een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 35 tot 45%.
Bij besluit van 13 september 2001 heeft gedaagde appellant met ingang
van 10 mei 2000 een uitkering toegekend ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz). Gedaagde heeft daarbij overwogen dat appellant het
bedrijf per 1 januari 2000, dus binnen anderhalf jaar na de datum waarop
hij een Ioaz-uitkering heeft aangevraagd, heeft beëindigd en ook aan de
overige van belang zijnde voorwaarden voor een Ioaz-uitkering voldoet.
In het kader van een in juli 2002 verricht heronderzoek naar het recht
op uitkering van appellant is gedaagde gebleken dat appellant op 2
januari 2000 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel de
Vennootschap onder firma [naam firma] heeft ingeschreven met zichzelf en
zijn echtgenote als vennoten.
Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft gedaagde het recht op uitkering van
appellant over de periode van 10 mei 2000 tot 1 september 2002 ingetrokken en de uitkering met ingang van 1 september
2002 beëindigd op de grond dat appellant en zijn echtgenote sedert 2
januari 2000 werkzaam zijn in de vennootschap onder firma [naam firma]
zonder gedaagde daarvan mededeling te hebben gedaan. Tevens heeft
gedaagde de over de periode van 10 mei 2000 tot 1 september 2002 ten onrechte betaalde uitkering van appellant
teruggevorderd.
Bij besluit van 22 april 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 7 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voorzover van belang -
het beroep tegen het besluit van 22 april 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in zoverre gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet
tot een ander oordeel kunnen brengen dan waartoe de rechtbank in de
aangevallen uitspraak is gekomen.
Vaststaat dat appellant de Vennootschap onder firma [naam eenmanszaak]
per 1 januari 2000 heeft doen uitschrijven uit het handelsregister van
de Kamer van Koophandel. Eveneens staat vast dat appellant op 2 januari
2000 de Vennootschap onder firma [naam firma] in het handelsregister
heeft ingeschreven. Voorts staat vast dat de echtgenote van appellant in
2000 als zelfstandig kapster werkzaam is geweest, dat appellant en zijn
echtgenote in 2000 bij hun aangifte inkomstenbelasting als aftrekpost de
zelfstandigenaftrek hebben opgevoerd en dat appellant over het eerste en
tweede kwartaal van 2002 omzetbelasting is terugbetaald. Appellant heeft gedaagde van een en ander in strijd met artikel 13,
eerste lid, van de Ioaz geen mededeling gedaan. Die gegevens waren voor
het recht op uitkering van appellant onmiskenbaar van belang omdat
ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Ioaz geen recht op uitkering
ontstaat zolang het bedrijf door de zelfstandige en de echtgenoot niet
is beëindigd, terwijl ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder
a, van de Ioaz de gewezen zelfstandige geen recht op uitkering heeft
indien hij zelf dan wel indien zijn echtgenoot de arbeid in bedrijf of
beroep hervat of aanvangt. Daarmee is de rechtsgrond voor de intrekking
van het besluit tot toekenning van uitkering ingevolge de Ioaz vanaf 10
mei 2000 gegeven.
Uit het vorenoverwogene volgt dat ook is voldaan aan de voorwaarden voor
terugvordering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Ioaz.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Ioaz
is de Raad niet gebleken zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Tevens is de uitkering ingevolge de Ioaz terecht met ingang van 1
september 2001 beëindigd.
Al hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot
een ander oordeel kunnen brengen. Het mag zo zijn dat appellant meende
goede gronden te hebben om in het handelsregister van de Kamer van
Koophandel als zelfstandige ingeschreven te staan en ingeschreven te
blijven dat laat onverlet dat die inschrijving alsmede het verrichten
van werkzaamheden als zelfstandige door appellant of zijn echtgenote in
de weg staan aan het recht op uitkering ingevolge de Ioaz. Voorts kan
naar het oordeel van de Raad niet anders geoordeeld worden dan dat
appellant welbewust de informatieverplichting heeft geschonden aangezien
hij zich per 1 januari 2000 heeft uitgeschreven uit het handelsregister
en zich op 2 januari 2000 weer heeft ingeschreven zonder daarvan aan
gedaagde mededeling te doen.
Gezien het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak, voorzover
aangevochten, te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 9 november 2004.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) P.C. de Wit.
|
|