|
Uitspraak
02/3434 NIOAZ en 02/3437 NIOAZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellanten heeft mr. F.L.I. de Vleesschauwer, advocaat te
Terneuzen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank
Middelburg van 23 mei 2002, reg.nrs. Awb 01/583 en Awb 01/584.
Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 12 oktober 2004, waar
appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. De
Vleesschauwer, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
E. van der Hooft, werkzaam bij de gemeente Terneuzen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Appellant ontving sinds 1 juli 1996 een uitkering ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz).
Naar aanleiding van het vermoeden dat appellanten een gezamenlijke
huishouding voeren, heeft de sociale recherche Zeeuwsch-Vlaanderen een
onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant
verstrekte Ioaz-uitkering. In dit kader is onder meer een huisbezoek op
het adres van appellante afgelegd, zijn er observaties verricht en zijn
appellanten gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in
een rapport van 25 januari 2001. Gedaagde is op grond van deze
bevindingen tot de conclusie gekomen dat appellant met appellante vanaf
1 juni 1997 een gezamenlijke huishouding voert.
Bij besluit van 29 maart 2001 heeft gedaagde het recht op uitkering
ingevolge de Ioaz van appellant over de periode van 1 juni 1997 tot en
met 31 december 2000 op die grond herzien (lees: ingetrokken) en de over
die periode betaalde uitkering tot een bedrag van fl. 84.527,33 van hem
teruggevorderd. Bij een ander besluit van 29 maart 2001 heeft gedaagde
voornoemd bedrag mede teruggevorderd van appellante. In beide besluiten
is vermeld dat appellanten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de
terugbetaling.
Bij besluiten van 6 september 2001 heeft gedaagde de bezwaren van
appellanten tegen de besluiten van 29 maart 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank het beroep tegen het
ten aanzien van appellante genomen besluit van 6 september 2001
ongegrond verklaard. Het beroep tegen het ten aanzien van appellant
genomen besluit van 6 september 2001 is - met een bepaling omtrent het
griffierecht en de proceskosten - gegrond verklaard, voorzover het
betreft de intrekking en de terugvordering over de periode van 1 juni
1997 tot 1 juli 1997 en het besluit is in zoverre vernietigd met
bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit
in stand blijven. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze
uitspraken gekeerd. Appellant kan zich niet verenigen met de ten aanzien
van hem gewezen uitspraak, voorzover daarin is bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 6 september
2001 in stand blijven en het beroep ongegrond is verklaard. Appellante
is het niet eens met de ongegrondverklaring van haar beroep. Daarbij is
onder meer aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte uitsluitend
heeft gebaseerd op de verklaringen van appellanten en dat uit de
verklaring van appellante niet kan worden afgeleid dat er sprake is van
een gezamenlijke huishouding sedert 1 juni 1997.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of appellanten in de periode in
geding al dan niet een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3,
derde lid, van de Ioaz hebben gevoerd.
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de
bevindingen van het door de sociale recherche verrichte onderzoek
genoegzaam blijkt dat daarvan ten tijde in geding sprake was. De Raad
kent daarbij in het bijzonder betekenis toe aan de door appellant op 30
november 2000 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring.
Appellant heeft verklaard hoofdzakelijk bij appellante op het [adres]es]
te [woonplaats] te verblijven, en appellante te betalen voor het wassen,
strijken en eten. Daarbij heeft appellant aangegeven dat de situatie al
zo is vanaf het moment dat hij een uitkering van gedaagde ontvangt.
Voorts is appellant ingegaan op zijn beweegredenen adres te kiezen aan
de [adres 2], en heeft hij aangegeven dat indien zijn auto ’s ochtends op de [adres] of de [adres 2] geparkeerd staat, dit
betekent dat hij daar heeft geslapen.
De Raad ziet de verklaring van appellant bevestigd in de door de sociale
recherche verrichte observaties, waarbij in de periode van 1 maart 2000
tot 30 november 2000 de auto van appellant nagenoeg dagelijks vroeg in
de ochtend is aangetroffen op het erf van de woning van appellante aan
de [adres].
Gezien het voorgaande kon appellant met ingang van 1 juni 1997 niet meer
worden beschouwd als zelfstandig subject van een uitkering ingevolge de
Ioaz, en had hij om die reden geen recht op een uitkering ingevolge de Ioaz
naar de norm van een alleenstaande.
Nu appellant geen mededeling aan gedaagde heeft gedaan van het feit dat
hij met appellante een gezamenlijke huishouding voerde, heeft hij de
ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Ioaz op hem rustende
inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is aan appellant
over de in geding zijnde periode ten onrechte een uitkering ingevolge de
Ioaz verstrekt. Gedaagde heeft daarom het recht op uitkering van
appellant terecht ingetrokken waartoe hij op grond van artikel 17, derde
lid, van de Ioaz met ingang van 1 juli 1997 gehouden was.
De Raad is daarbij niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in
artikel 17, vijfde lid, van de Ioaz op grond waarvan geheel of
gedeeltelijk van intrekking zou kunnen worden afgezien.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden
voor toepassing van artikel 25, eerste lid, van de Ioaz, zodat gedaagde
gehouden was tot terugvordering van de ten onrechte betaalde uitkering
over te gaan. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.
Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Ioaz wordt, indien de uitkering
naar de norm van een gezin had moeten worden verstrekt, maar zulks
achterwege is gebleven omdat de belanghebbende zijn inlichtingenplicht
niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte verleende
uitkering mede teruggevorderd van de persoon met wiens inkomen bij de
verlening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de gezamenlijke
huishouding volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van
deze bepaling, zodat gedaagde gehouden was de ten onrechte verstrekte
uitkering mede van appellante terug te vorderen. Van een dringende reden
om van gehele of gedeeltelijke terugvordering van appellante af te zien,
is de Raad niet gebleken.
Gelet op het vooraanstaande dienen de aangevallen uitspraken, voorzover
aangevochten, te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in het proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken, voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. C. van Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid
van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23
november 2004.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) M. Pijper.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Ioaz kan
een partij beroep in cassatie instellen ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding volgens de wet. Het beroep in cassatie wordt ingesteld door
binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde
verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der
Nederlanden) te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002,
3500 DA Utrecht.
|
|