|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/1607 IOAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Alkmaar van 10 maart 2003, reg.nr. IOAZ 01/1033.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 21 juni 2004 heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar,
namens appellant een nadere reactie aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 19 oktober 2004, waar appellant
is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
S. Groothuis, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 14 december 2000 heeft gedaagde appellants uitkering
ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) met ingang van 25 april
2000 ingetrokken. Bij aangetekend verzonden brief van 26 januari 2001
heeft appellant daartegen bezwaar gemaakt. Gedaagde heeft het bezwaar
van appellant bij besluit van 26 april 2001 ontvankelijk en ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 26 april 2001 ingestelde
beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het bezwaar van
appellant wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk
verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het
vernietigde besluit. Daarbij zijn beslissingen over proceskosten en
griffierecht gegeven.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen dit oordeel gekeerd en de
termijnoverschrijding gemotiveerd betwist.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de
termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.
Deze termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan
met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven
wijze is bekendgemaakt. De bekendmaking van besluiten die tot een of
meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt ingevolge artikel 3:41,
eerste lid, van de Awb, door toezending of uitreiking.
De Raad merkt op dat de verzending van het besluit van 14 december 2000
niet aangetekend of met bericht van ontvangst heeft plaatsgevonden. Dit
sluit echter niet uit dat de verzenddatum langs andere weg wordt
aangetoond. Daartoe volstaat niet de stelling dat besluiten in het
algemeen worden verzonden op de datum van hun datering. Ter zitting van
de Raad heeft gedaagde de wijze van postbehandeling binnen de gemeente
als volgt toegelicht. De gemeente Alkmaar heeft met WNK Bedrijven een
“overeenkomst postbezorging in eigen beheer” gesloten. Op basis van
deze overeenkomst worden poststukken bestemd voor een geadresseerde
binnen een gebied met bij de overeenkomst aangewezen postcodes,
waaronder de postcode van appellant, door medewerkers van WNK Bedrijven
bij diverse locaties van de gemeente opgehaald, gesorteerd en bezorgd.
Een van de voorwaarden is dat postbezorging valt onder 24-uurs
bezorging, tenzij anders wordt aangegeven. Daarmee is evenwel naar het
oordeel van de Raad niet aangetoond of onvoldoende aannemelijk gemaakt,
dat gedaagde het besluit van 14 december 2000 op dezelfde dag aan WNK
Bedrijven heeft aangeboden en dat in het onderhavige geval
overeenkomstig de voorwaarden is gehandeld. Mede in aanmerking genomen
dat gedaagde niet beschikt over een verzendregister van besluiten stelt
de Raad dan ook vast dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld
wanneer het besluit van 14 december 2000 is bekendgemaakt zodat evenmin
kan worden vastgesteld wanneer de bezwaartermijn is aangevangen.
Met betrekking tot de door appellant overgelegde fotokopie van een
envelop met daarop gestempeld ‘WNK Post’ en ‘15.12.00’ heeft
gedaagde naar voren gebracht dat de dagstempel van 15 december 2000,
gelet op de werkwijze van WNK bedrijven, de bezorgdatum is. De Raad
merkt op dat aan deze dagstempel niet de betekenis van een poststempel
kan worden toegekend en dat ook overigens de behandeling van post door
WNK Bedrijven niet op één lijn gesteld kan worden met toezending via
TPG-post. Ten slotte overweegt de Raad dat gedaagde ook niet het bewijs
heeft geleverd dat het bewuste poststuk op 15 december 2000 in de
brievenbus van appellant is gedeponeerd.
Het voorgaande betekent dat de bezwaartermijn niet eerder dan op 16
december 2000 is aangevangen. Daarvan uitgaande, stelt de Raad vast dat
het bezwaar tijdig is ingediend.
Gezien deze overwegingen heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat
gedaagde het bezwaar van appellant wegens termijnoverschrijding
niet-ontvankelijk had dienen te verklaren en is zij ten onrechte niet
toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van het beroepschrift van
appellant. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor vernietiging in
aanmerking. De Raad zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 161,-- voor de inhoudelijke schriftelijke reactie van appellants
gemachtigde en € 20,20 voor de reiskosten van appellant, totaal €
181,20.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Alkmaar;
Veroordeelt gedaagde tot de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag van € 181,20, te betalen door de gemeente Alkmaar;
Bepaalt dat de gemeente Alkmaar aan appellant het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 87,- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van mr. P.C.
de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november
2004.
(get.) C. van Viegen.
(get.) P.C. de Wit.
|
|