|
Uitspraak
03/616 NIOAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft drs. G.J. Meppelink, hoger beroep ingesteld tegen
de uitspraak van de rechtbank Assen van 24 december 2002, reg.nr. 01/260
IOAZ.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 april 2005, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door drs. Meppelink, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door K. Oosterhuis, werkzaam bij de
gemeente Aa en Hunze.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant heeft met zijn zoon in de vorm van een maatschap een
melkveehouderij geëxploiteerd. Appellant heeft met ingang van 1 mei
1998 zijn bedrijfsactiviteiten beëindigd en zijn aandeel in het bedrijf
overgedragen aan zijn zoon. Blijkens een door de Belastingdienst in
samenwerking met NLTO Makelaardij B.V. opgesteld taxatierapport van 10
september 1998 bedroeg op 1 mei 1998 de vrije verkoopwaarde van het
melkquotum van het bedrijf in totaal f 1.479.500,-- waarbij werd
uitgegaan van een vrije verkoopwaarde van f 3,84 per kilo. Appellant en
zijn zoon hebben afgesproken dat appellant voor de overdracht van het
melkquotum geen vergoeding ontvangt. Appellant en zijn zoon zijn verder
overeengekomen dat een deel van de overnamesom werd omgezet in een
verplichting van de zoon om aan appellant een lijfrente uit te keren,
zodra appellant de leeftijd van 65 jaar zal hebben bereikt. Op de
liquidatiebalans per 1 mei 1998 is de lijfrenteverplichting van de zoon
gewaardeerd op f 258.565,--.
Bij besluit van 8 juni 1998 heeft gedaagde aan appellant met ingang van
1 mei 1998 een recht op uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz) toegekend.
Naar aanleiding van de resultaten van een heronderzoek heeft gedaagde
bij besluit van 25 juli 2000 het recht op Ioaz-uitkering met ingang van
1 mei 1998 ingetrokken en de over de periode van 1 mei 1998 tot 1
november 1999 betaalde uitkering tot een bedrag van f 44.136,57 van
appellant teruggevorderd op de grond dat het inkomen uit vermogen als
bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Ioaz hoger is dan de
toepasselijke grondslag. Gedaagde heeft daarbij het vermogen van
appellant vastgesteld op f 1.963.254,-- en het inkomen uit vermogen op f
5.834,18 per maand. Bij de vaststelling van het vermogen van appellant
heeft gedaagde het melkquotum betrokken en dit, uitgaande van een vrije
verkoopwaarde van f 3,84 per kilo, gewaardeerd op f 1.479.500,--. Voorts
heeft gedaagde het op de liquidatiebalans voor de lijfrenteverplichting
van de zoon opgenomen bedrag van f 258.565,-- tot het vermogen van
appellant gerekend.
Bij besluit van 31 januari 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 25 juli 2000 gegrond verklaard en dat besluit herroepen.
Gedaagde heeft daarbij het vermogen van appellant nader vastgesteld op f
867.754,-- en het inkomen uit vermogen op f 2.182,51 per maand. Bij de
vaststelling van het vermogen van appellant heeft gedaagde het
toegewezen deel van het melkquotum buiten beschouwing gelaten en slechts
het aangekochte deel van het melkquotum betrokken en dit, uitgaande van
een vrije verkoopwaarde van f 3,84 per kilo, gewaardeerd op f
384.000,--. Gedaagde heeft ten slotte meegedeeld dat een afzonderlijk
besluit inzake de terugvordering zal worden genomen.
Bij besluit van 20 februari 2001 heeft gedaagde onder verwijzing naar
het besluit van 31 januari 2001 een bedrag van f 44.682,54 van appellant teruggevorderd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het
vermogen lager moet worden gewaardeerd dan in het besluit van 31 januari
2001 is gedaan en dat als gevolg daarvan het inkomen uit vermogen kan
worden vastgesteld op f 1.452,-- per maand, hetgeen aanzienlijk lager is
dan de toepasselijke grondslag. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat
is gebleken dat het gemiddelde jaarinkomen van appellant in de laatste
drie boekjaren voor de beëindiging van zijn bedrijfsactiviteiten hoger
was dan f 38.400,--, zodat appellant niet voldoet aan de in artikel 5,
tweede lid, aanhef en onder 2, van de Ioaz gestelde voorwaarde voor het
recht op uitkering. Gelet op deze overwegingen heeft de rechtbank, met
bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het
besluit van 31 januari 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Hij heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het op de liquidatiebalans
voor de lijfrenteverplichting van zijn zoon opgenomen bedrag van f
258.565,-- buiten de vermogenswaardering dient te blijven omdat dit geen
vermogen betreft waarover hij thans kan beschikken. Voorts heeft
appellant zich op het standpunt gesteld dat bij de waardering van het
aangekochte deel van het melkquotum uitgegaan dient te worden van de
boekwaarde en niet van de vrije verkoopwaarde. Verder heeft appellant
aangevoerd dat het aangekochte deel van het melkquotum door de maatschap
is aangekocht, zodat gedaagde ten onrechte de gehele waarde van dat deel
van het quotum aan appellant heeft toegerekend. Ten slotte heeft
appellant zich op het standpunt gesteld dat hij voldoet aan de
voorwaarden voor het recht op uitkering.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt allereerst vast dat gedaagde zich in de besluiten die ter
toetsing aan de rechtbank voorlagen, niet heeft uitgelaten over de vraag
of appellant voldeed aan de in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder 2,
van de Ioaz genoemde voorwaarde voor het recht op uitkering. Door
niettemin te beoordelen of appellant aan die voorwaarde voldeed, is de
rechtbank buiten de omvang van het geding getreden. De Raad, ambtshalve
oordelend, concludeert dat de aangevallen uitspraak wegens strijd met
artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor
vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal vervolgens doen hetgeen de
rechtbank had behoren te doen.
De Raad stelt verder vast dat gedaagde er in het besluit van 31 januari
2001 mee heeft volstaan het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire
besluit van 25 juli 2000 te herroepen, het vermogen vast te stellen op f
867.754,-- en het inkomen uit vermogen op f 2.182,51 per maand en mee te
delen dat een afzonderlijk terugvorderingsbesluit zal worden
toegezonden. Bij besluit van 20 februari 2001 heeft gedaagde een bedrag
van f 44.682,54 van appellant teruggevorderd. Gedaagde heeft aldus
miskend dat de bezwaarschriftprocedure is bedoeld voor volledige
bestuurlijke heroverweging waarbij rekening dient te worden gehouden met
alle relevante feiten en omstandigheden. Indien wijziging van een bij
het primair besluit vastgesteld terugvorderingsbedrag nodig wordt geacht
naar aanleiding van hetgeen in bezwaar naar voren is gebracht, dient het
terug te vorderen bedrag in het kader van de heroverweging tijdens
bezwaar te worden vastgesteld. Zo nodig kan toepassing worden gegeven
aan het derde en vierde lid van artikel 7:10 van de Awb. De door
gedaagde toegepaste gefaseerde wijze van besluitvorming verdraagt zich
niet met het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. Het
besluit van 31 januari 2001 komt derhalve voor vernietiging in
aanmerking. De Raad zal vervolgens ingaan op de vraag of de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden
gelaten.
Met betrekking tot de vraag of gedaagde terecht het op de
liquidatiebalans voor de lijfrenteverplichting van de zoon opgenomen
bedrag van f 258.565,-- tot het vermogen van appellant heeft gerekend
overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Ioaz, zoals dit artikel ten
tijde hier van belang luidde, wordt als inkomen aangemerkt het inkomen
uit het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na
de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken, met dien verstande
dat daarbij een vermogen van f 213.000,-- buiten beschouwing blijft. Het
inkomen uit vermogen wordt bepaald op 4% per jaar van het vermogen.
Ingevolge het zesde lid stelt de betrokken minister regels met
betrekking tot de waardering van het vermogen, bedoeld in het tweede
lid.
Ten tijde in geding waren de hier bedoelde regels neergelegd in de
Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 29 juni 1987, Stcrt. 1987, 122 (verder: Besluit
vermogenswaardering).
Artikel 1, vierde lid, van het Besluit vermogenswaardering bepaalt dat
indien bezittingen in het licht van beëindiging van het bedrijf of
beroep zijn verkocht of overgedragen en dit, gelet op de aard en de
strekking van de wet, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt,
burgemeester en wethouders de waarde van deze bezittingen vaststellen op
basis van de waarde in het economisch verkeer bij verkoop zonder
bezwaring.
Naar het oordeel van de Raad is voldaan aan de voorwaarden voor
toepassing van artikel 1, vierde lid, van het Besluit
vermogenswaardering. De Raad stelt daarbij voorop dat de Ioaz een
sociale voorziening is die uit de algemene middelen wordt bekostigd en
die aan oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
die de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt een
inkomensvoorziening biedt ter hoogte van het bestaansminimum, waarbij de
hoogte van de uitkering wordt bepaald door het verschil tussen de
toepasselijke grondslag en het inkomen en waarbij het inkomen uit
vermogen wordt betrokken. De Raad overweegt voorts dat appellant en zijn
zoon de afspraak hebben gemaakt dat de zoon in ruil voor een verlaging
van de overnamesom aan appellant een lijfrente zal betalen zodra
appellant de leeftijd van 65 jaar zal hebben bereikt. Die afspraak
strekt er naar het oordeel van de Raad toe om de inkomenstoets van de Ioaz
te ontgaan en leidt, gelet op de aard en de strekking van de Ioaz,
tot een onredelijk resultaat. Gedaagde is derhalve op grond van artikel
1, vierde lid, van het Besluit vermogenswaardering verplicht de waarde
van de bezittingen die in het licht van de beëindiging van het bedrijf
zijn verkocht of overgedragen vast te stellen op basis van de waarde in
het economisch verkeer bij verkoop zonder bezwaring. Bij de bepaling van
de waarde van die bezittingen heeft gedaagde naar het oordeel van de
Raad terecht het op de liquidatiebalans voor de lijfrenteverplichting
van de zoon opgenomen bedrag van f 258.565,-- betrokken.
Met betrekking tot de vraag of gedaagde terecht een bedrag van f
384.000,-- aan melkquotum tot het vermogen van appellant heeft gerekend
overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Besluit vermogenswaardering,
voorzover hier van belang, zijn artikel 4 - behoudens het gestelde in
het vierde lid, onderdeel a en het vijfde lid, onderdeel a - en artikel
9 van de Wet op de vermogensbelasting van overeenkomstige toepassing.
Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet op de vermogensbelasting
worden onder bezittingen verstaan, de goederen waaraan in het
economische verkeer waarde kan worden toegekend.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de vermogensbelasting
worden de bezittingen en de schulden in aanmerking genomen naar de
waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.
In de ten tijde hier van belang nog van kracht zijnde Resolutie van 1
juli 1987, rolno. 287-8649 (BNB 1987/257) is ter uitvoering van artikel
9, eerste lid, van de Wet op de vermogensbelasting met betrekking tot
het melkquotum bepaald dat deze voor de heffing van de
vermogensbelasting te waarderen is op de boekwaarde die, in het geval
het melkquotum aan de belastingplichtige is toegewezen, nihil is.
De Raad is van oordeel dat uit het hiervoor aangehaalde samenstel van
bepalingen voortvloeit dat de waarde van het aangekochte deel van het
melkquotum dient te worden gesteld op de boekwaarde bij de bedrijfsbeëindiging.
Gedaagde is derhalve bij de waardering van het melkquotum ten onrechte
uitgegaan van de vrije verkoopwaarde. De Raad merkt in dit verband nog
op dat gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard
dat de boekwaarde van het aangekochte melkquotum ongeveer f 47.000,-
bedroeg.
De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde bij de vaststelling van het
vermogen van appellant er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het
melkquotum, voorzover aangekocht, door de maatschap is aangekocht en
daarom slechts voor een deel gerekend kan worden tot het vermogen van
appellant toen hij zijn bedrijfsactiviteiten staakte. Gedaagde heeft dat
in zijn verweerschrift van 14 mei 2001 ook erkend.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen
besluit van 31 januari 2001 niet in stand kunnen blijven. Dit betekent tevens dat
het besluit van 20 februari 2001 een deugdelijke grondslag ontbeert. Gedaagde zal worden
opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant, met
inachtneming van deze uitspraak. Met het oog daarop overweegt de Raad
nog dat gedaagde in dit kader onder meer zal dienen vast te stellen welk
deel van de waarde van het door de maatschap aangekochte quotum bij de
bepaling van het vermogen van appellant dient te worden betrokken. Uit
het verweerschrift van 14 mei 2001 leidt de Raad af dat gedaagde dit
deel wil bepalen op de helft. Naar het oordeel van de Raad mag, nu het
hier gaat om vermogenstoerekening, van appellant worden verwacht dat hij
(nader) onderbouwt waarom daarbij zou moeten worden aangesloten bij de
winstverdeling over de boekjaren 1995/1996 tot en met 1997/1998.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover hierbij omtrent
griffierecht en proceskosten is beslist;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt de besluiten van 31 januari 2001 en 20 februari 2001;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 644,--, te betalen door de gemeente Aa en Hunze;
Bepaalt dat de gemeente Aa en Hunze aan appellant het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 82,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2005.
(get.) C. van Viegen.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|