|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4190 NIOAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Groningen van 15 juni 2004, reg.nr. 03/470 IOAZ.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 november 2005 waar appellant
is verschenen en waar gedaagde - met bericht - zich niet heeft laten
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende in dit geding van
belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant, geboren [in] 1946, heeft op 4 juni 2002 een aanvraag
ingediend op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) met ingang van 1 juli
2002. Deze aanvraag heeft gedaagde bij besluit van 21 augustus 2002
afgewezen.
Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van
20 maart 2003 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat
appellant niet kan worden aangemerkt als een gewezen zelfstandige in de
zin van artikel 2, vijfde lid, van de Ioaz.
Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is door de
rechtbank bij de thans aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 2, eerste lid en onder a, van de Ioaz wordt verstaan
onder gewezen zelfstandige:
de persoon die voor de voorziening in het bestaan was aangewezen op
arbeid in het eigen bedrijf of beroep en die:
1°. de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en
2°. na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar het bedrijf of beroep
heeft beλindigd.
In artikel 2, vijfde lid, van de Ioaz is bepaald dat de gewezen
zelfstandige was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep,
indien werd voldaan aan het urencriterium voor toepassing van de
zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet
Inkomstenbelasting 2001.
Toegespitst op het geval van appellant (die niet voldoet aan de
vereisten in onderdeel b van het eerste lid van artikel 2 van de Ioaz)
betekent het vorenstaande - mede in aanmerking genomen hetgeen is
bepaald in artikel 5, tweede lid, van de Ioaz - dat genoegzaam
aannemelijk moet zijn dat zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd in
2001, het kalenderjaar voorafgaand aan zijn aanvraag, voor ten minste
1225 uren in beslag werd genomen door het feitelijk drijven van een
onderneming en bovendien dat daaraan (definitief) een einde was gekomen
in de periode na zijn 55e verjaardag en voor 1 juli 2001, de dag met
ingang waarvan hij om een Ioaz-uitkering heeft gevraagd.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde terecht tot de
conclusie is gekomen dat appellant hieraan niet voldoet. Uit de
gedingstukken blijkt, hetgeen door appellant ter zitting van de Raad ook
is bevestigd, dat hij reeds vanaf 1996 geen aanspraak meer maakt op de
zogeheten zelfstandigenaftrek omdat hij in dat jaar - wegens te weinig
rendement - feitelijk is gestopt met zijn varkenshouderij. Het feit dat
appellant nog steeds als varkenshouder is ingeschreven en dat ook de
varkensschuur nog helemaal intact is hierbij niet van belang.
Gedaagde is dan ook terecht tot de slotsom gekomen dat appellant niet
behoort tot de personenkring van de Ioaz en dat appellant om die reden
niet in aanmerking kwam voor een uitkering ingevolge die wet.
Het hoger beroep kan dan ook niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak
moet worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 november
2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|