|
Uitspraak
voorzieningenrechter 06/1628 NIOAZ-VV
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om
voorlopige voorziening van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de rechtbank
’s-Hertogenbosch van 27 januari 2006, 05/897 en 06/157 (hierna:
aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),
en
verzoeker.
Datum uitspraak: 12 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2006. Verzoeker
heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Betrokkene is in persoon
verschenen, bijgestaan door mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat te Weert.
II. OVERWEGINGEN
Op grond van de gedingstukken en het ter terechtzitting verhandelde gaat
de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 16 december 2004 heeft verzoeker het recht op uitkering
ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandige (Ioaz) van betrokkene met ingang
van 1 december 2004 beëindigd.
Bij op bezwaar genomen besluit van 4 maart 2005 heeft verzoeker het
besluit van 16 december 2004 gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank, voorzover van belang, het beroep tegen het besluit van 4
maart 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 16
december 2004 herroepen voorzover dat inhield de beëindiging met ingang
van 1 december 2004 van de uitkering ingevolge de Ioaz van betrokkene en
bepaald dat verzoeker een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming
van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
De voorzieningenrechter van de Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de
rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in
artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die
zin dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt opgeschort totdat
op het hoger beroep is beslist.
Artikel 19 van de Beroepswet bepaalt dat de werking van een uitspraak
met betrekking tot een besluit, genomen op grond van een wettelijk
voorschrift dat is opgenomen in onderdeel C, onder 1 tot en met 24 van
de bijlage die bij de Beroepswet behoort, wordt opgeschort, totdat de
termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien
hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist.
In onderdeel C onder 24 van de bijlage is de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen genoemd.
Uit voormelde bepalingen volgt dat de werking van de aangevallen
uitspraak is opgeschort totdat op het hoger beroep van verzoeker is
beslist. Dit brengt mee dat verzoeker geen belang heeft bij het treffen
van een voorlopige voorziening zodat het verzoek daartoe
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
In de gegeven omstandigheden acht de voorzieningenrechter voorts geen
termen aanwezig om het verzoek van betrokkene om met toepassing van
artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak in
de hoofdzaak te doen, te honoreren.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verzoeker te veroordelen in
de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 322,--
voor verleende rechtsbijstand en op € 26,60 voor reiskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht niet-ontvankelijk;
Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag
van € 348,60, te betalen door de gemeente Cranendonck aan de griffier
van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De
beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier,
uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2006.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) L.M. Reijnierse.
|
|