|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/370
NIOAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 december 2005, 05/32
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar
(hierna: College).
Datum uitspraak: 12 december 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger
beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2006.
Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen
door S.H. Groothuis, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 20 april 2000 heeft het College aan appellant een
uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte zelfstandigen
(Ioaz) toegekend met ingang van het moment waarop appellant zijn
bedrijf, een fotozaak, heeft beëindigd. Bij besluit van 26 mei 2000
heeft het College die uitkering, naar de norm voor gehuwden, met ingang
van 25 april 2000 toegekend. Appellant heeft per die datum zijn bedrijf
beëindigd en doen uitschrijven bij de Kamer van Koophandel.
In het kader van een op verzoek van het College op 10 juli 2000 door het
IMK Intermediair (hierna: IMK) ingesteld onderzoek naar het vermogen van
appellant in verband met de definitieve afrekening van eerder ingevolge
de Algemene bijstandswet aan appellant als zelfstandige verleende
bijstand, is het IMK gebleken dat appellant nog steeds in zijn
bedrijfsruimte werkzaam is en nog altijd de naam [naam bedrijf]
gebruikt. Voorts is aangegeven dat appellant heeft gemeld dat hij thans
in loondienst werkzaam is bij een bedrijf [naam bedrijf 2].
In oktober 2000 is vanwege het College een nader onderzoek ingesteld. De
bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1
november 2000.
De bevindingen van het IMK van 10 juli 2000 alsmede de bevindingen van
het ambtelijke onderzoek zoals neergelegd in het rapport van 1 november
2000 zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 14
december 2000 het recht op Ioaz-uitkering met ingang van 25 april 2000
in te trekken. Het College heeft daartoe onder verwijzing naar artikel
6, eerste lid, van de Ioaz overwogen dat appellant zijn activiteiten als
zelfstandige niet heeft beëindigd.
Bij besluit van eveneens 14 december 2000 heeft het College de over de
periode vanaf 25 april 2000 tot 1 november 2000 aan appellant verleende uitkering van
hem teruggevorderd.
Vervolgens is aan appellant met ingang van 30 oktober 2000 wederom een
uitkering ingevolge de Ioaz toegekend. Appellant heeft zich per die
datum laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel en aangegeven dat
er in de Ltd. geen activiteiten meer worden ondernomen en dat het
reclamemateriaal van het bedrijfspand zo goed als volledig is
verwijderd.
Bij besluit van 26 april 2001 heeft het College het bezwaar tegen de
besluiten van 14 december 2000 ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe -
samengevat - overwogen dat met het oprichten van [naam bedrijf 2].
feitelijk een voortzetting van het voormalige bedrijf [naam bedrijf] is
gerealiseerd. Appellant heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 6,
derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaz. Voorts heeft het College de
intrekking van de uitkering beperkt tot de periode van 25 april 2000 tot
30 oktober 2000.
Bij uitspraak van 10 maart 2003 heeft de rechtbank het door appellant
tegen het besluit van 26 april 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard,
dat besluit vernietigd, het bezwaar van appellant tegen de besluiten van
14 december 2000 niet-ontvankelijk verklaard en - met beslissingen
omtrent proceskosten en griffierecht - bepaald dat deze uitspraak in de
plaats treedt van de vernietigde besluiten.
De Raad heeft bij uitspraak van 30 november 2004 de uitspraak van de
rechtbank van 10 maart 2003 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling naar de
rechtbank teruggewezen.
Vervolgens heeft de rechtbank bij de thans aangevallen uitspraak van 20
december 2005 het beroep van appellant tegen het besluit van 26 april 2001 ongegrond
verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaz heeft
de gewezen zelfstandige die zelf dan wel van wie de echtgenoot de arbeid
in bedrijf of beroep hervat of aanvangt geen recht op uitkering.
Of sprake is van het hervatten of het aanvangen van de arbeid in bedrijf
of beroep wordt bepaald door de concrete feiten en omstandigheden van
het geval. De formele constructie van de wijze waarop die arbeid wordt
verricht of het beroep wordt uitgeoefend is hierbij derhalve niet
doorslaggevend.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op
het standpunt heeft gesteld dat appellant zijn arbeid in bedrijf of
beroep heeft hervat of aangevangen als bedoeld in evengenoemde bepaling.
De Raad heeft daartoe het volgende van belang geacht.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat [naam bedrijf 2]. op 21 juli
1999 is opgericht. Vervolgens is deze onderneming op 17 april 2000 onder
de handelsnaam Photo Centre Alkmaar ingeschreven bij de Kamer van
Koophandel met als vestigingsadres het woonadres van appellanten en
waarbij appellant is vermeld als alleen en zelfstandig bevoegd
bestuurder. Vaststaat dat de Ltd. voorafgaande aan 17 april 2000 geen
activiteiten in de fotobranche heeft ontplooid. Voorts blijkt uit de
informatie van het IMK, zoals opgenomen in het rapport van 10 juli 2000
alsmede uit het ambtelijk rapport van 1 november 2000, welk laatste
rapport is tot stand gekomen na een bezoek aan het pand waar de Ltd. is
gevestigd, dat appellant in het bedrijfspand waarin eerst zijn
eenmanszaak met min of meer dezelfde naam was gevestigd, activiteiten op
fotografisch gebied verrichtte.
Appellant heeft aangevoerd dat hij bij de Ltd. in loondienst was, maar
met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hiervan op geen enkele wijze
is gebleken.
Dat appellant, zoals hij nog heeft aangevoerd, geen loon had ontvangen
omdat er alleen nog maar verlies was geleden en dat zijn bezigheden
voorts louter een hobbymatig karakter droegen, komt zoals ook de
rechtbank al had geconstateerd niet overeen met de ook door appellant
ingenomen stelling dat hij in het geheel geen werkzaamheden op
fotografisch gebied heeft verricht.
Appellant heeft het College van een en ander in strijd met de op hem
ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Ioaz rustende
inlichtingenverplichting geen mededeling gedaan. Die gegevens waren voor
het recht op uitkering van appellant onmiskenbaar van belang omdat
ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaz de
gewezen zelfstandige geen recht op uitkering heeft indien hij zelf dan
wel indien zijn echtgenoot de arbeid in bedrijf of beroep hervat of
aanvangt. Als gevolg van deze schending is aan appellant ten onrechte
uitkering verleend.
Gelet hierop was het College gehouden om het recht op uitkering van
appellant over de hiervoor vermelde periode met toepassing van artikel
17, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaz in te trekken.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende
redenen als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de Ioaz om geheel of
gedeeltelijk van intrekking af te zien.
Hiermee is tevens gegeven dat met betrekking tot de periode van 25 april
2000 tot 30 oktober 2000 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering als
bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Ioaz.
De Raad is evenmin gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel
25, vierde lid, van de Ioaz om geheel of gedeeltelijk van terugvordering
af te zien.
Ter zitting van de Raad heeft appellant aangevoerd dat de duur van de
rechterlijke procedure zodanig lang is dat sprake is van een
overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM).
De Raad stelt vast dat gelet op de totale duur van de rechterlijke
procedure te weten van 29 mei 2001, de datum waarop appellant tegen het
besluit van 26 april 2001 bij de rechtbank beroep heeft ingesteld, tot
heden, mede gelet op de aard van de procedure en de proceshouding van
appellant, sprake is van een schending van de redelijke termijn als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Voor de vaststelling van
aan een dergelijke schending verbonden gevolgen zal appellant zich tot
de burgerlijke rechter dienen te wenden. De Raad verwijst in dit verband
onder meer naar zijn uitspraak van 4 juli 2003, LJN AI0140.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Nu het hoger beroep niet slaagt is voor een veroordeling tot vergoeding
van de door appellant als gevolg van het besluit van 26 april 2001
beweerdelijk geleden materiële schade geen ruimte. Het verzoek daartoe
dient daarom te worden afgewezen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van
Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
A.H.
Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12
december 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|