|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/1627
NIOAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
’s-Hertogenbosch van 27 januari 2006, 05/897 (hierna: aangevallen
uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 6 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat te Weert, een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.C.M. van Berlo,
werkzaam bij de gemeente Cranendonck. Betrokkene is in persoon
verschenen, bijgestaan door mr. Burhenne.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Betrokkene, geboren in 1951, ontvangt een
arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 45 tot 55%. In aanvulling daarop ontving hij vanaf 1 januari 1991 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) naar de
norm voor gehuwden.
Op 2 mei 2004 heeft betrokkene zijn woning verkocht aan zijn zoon.
Betrokkene is in de woning blijven wonen maar zijn ex-echtgenote heeft
die op 2 juni 2004 verlaten. De Ioaz-uitkering van betrokkene is
vervolgens ingaande 2 juni 2004 herzien naar de norm voor een
alleenstaande.
In een brief, gevoegd bij het rechtmatigheidsonderzoeksformulier Ioaw/Ioaz over de maand juni 2004, heeft betrokkene vermeld dat hij per
29 juni 2004 een gedeelte van zijn woning - een kamer - als zelfstandige
woonruimte verhuurt aan V. [C.] (hierna: [C.]), geboren in 1984.
Daarin heeft appellant aanleiding gezien een onderzoek in te stellen met
betrekking tot de vraag of betrokkene met [C.] een gezamenlijke
huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz. In
verband daarmee is betrokkene op 24 november 2004 opgeroepen voor een
deelonderzoek en is aan de zoon van betrokkene om inlichtingen gevraagd.
De resultaten van een en ander zijn neergelegd in een rapport van 13
december 2004.
Op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier Ioaw/Ioaz over de maand
november 2004 heeft betrokkene vermeld per 1 december 2004 met [C.] te
gaan samenwonen. Ter toelichting daarop heeft hij bij brief van 2
december 2004 aangegeven dat hij geen relatie met [C.] heeft maar dat
zij voor hem kookt en wast, hetgeen volgens de mededeling van de
medewerkers van appellant met wie hij op 24 november 2004 heeft
gesproken, impliceert dat van een gezamenlijke huishouding in de zin van
de Ioaz sprake is.
Bij besluit van 16 december 2004 heeft appellant de uitkering ingevolge
de Ioaz van betrokkene met ingang van 1 december 2004 beëindigd (lees:
ingetrokken) op de grond dat het recht op uitkering met ingang van 1
december 2004 niet langer kan worden beoordeeld.
Betrokkene heeft tegen het besluit van 16 december 2004 bezwaar gemaakt
in het kader waarvan hij naar voren heeft gebracht dat [C.] slechts
incidenteel, wanneer hij ziek is, voor hem kookt en wast.
Op 17 januari 2005 is betrokkene gehoord door de
Bezwaarschriftencommissie Maatschappelijke Zorg, waarna op 20 januari
2005 een huisbezoek bij betrokkene is afgelegd waarover is
gerapporteerd.
Bij besluit van 4 maart 2005 is het tegen het besluit van 16 december
2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de
voorzieningenrechter van de rechtbank, met bepalingen over proceskosten
en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 4 maart gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 16 december 2004 herroepen en bepaald dat (thans) appellant een nieuw
besluit neemt met inachtneming van het in de uitspraak overwogene.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In het onderhavige geval heeft betrokkene, nadat hem ingaande 2 juni
2004 een uitkering ingevolge de Ioaz naar de norm voor een alleenstaande
was toegekend, meegedeeld dat [C.] per 29 juni 2004 in de woning waarin
ook hij woont, zelfstandige woonruimte in de vorm van een kamer huurt.
Voorts heeft hij op 24 november 2004 kenbaar gemaakt dat [C.] voor hem
kookt en wast. Verder heeft hij op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier Ioaw/Ioaz over de maand november 2004
vermeld dat hij met ingang van 1 december 2004 met [C.] is gaan
samenwonen, welke vermelding, aldus betrokkene, moet worden gezien in
het licht van de mededeling van de medewerkers van appellant tijdens het
gesprek op 24 november 2004 dat indien [C.] voor hem kookt en wast,
sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding in de zin van
de Ioaz. Voorts heeft betrokkene aangegeven, en ook appellant gaat daar
vanuit, dat [C.] niet beschikte over inkomsten om in haar
levensonderhoud te voorzien.
In verband met de op grond van voormelde gegevens gerezen
onduidelijkheid of betrokkene al dan niet met [C.] een gezamenlijke
huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz voert, had
appellant, gelet ook op de uit artikel 3:2 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) voortvloeiende onderzoeksplicht, betrokkene nader
dienen te bevragen. Een besluit waarbij een uitkering wordt ingetrokken
is immers een belastend besluit, zodat op appellant de bewijslast rust
ten aanzien van de vraag of betrokkene niet langer voldoet aan de
voorwaarden om voor die uitkering in aanmerking te komen. Een nader
onderzoek naar de woon- en leefsituatie van betrokkene en [C.] en naar
met name de vraag of sprake was van wederzijdse zorg als bedoeld in
artikel 3, derde lid, van de Ioaz had dan ook niet achterwege mogen
blijven. Alleen indien betrokkene dan geen of geen toereikende
inlichtingen zou hebben verschaft, had appellant over kunnen gaan tot
intrekking van de uitkering van betrokkene op de grond dat als gevolg
van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden
vastgesteld of, en zo ja in welke omvang, recht op uitkering bestaat.
Tot een zodanig nader onderzoek is het evenwel niet gekomen. Uit de
rapportage over het gesprek op 24 november 2004 noch uit het verslag van
het huisbezoek op 20 januari 2005 blijkt dat aan betrokkene inlichtingen
zijn gevraagd over de vraag of tussen hem en [C.] sprake was van
wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz.
Voorts kan het betrokkene in het kader van de inlichtingenverplichting
niet worden tegengeworpen dat hij niet bereid was tijdens het op 20
januari 2005 gehouden huisbezoek de woonruimte van [C.] te tonen,
toestemming te geven bij haar aan te kloppen en haar te vragen of zij de
medewerkers van appellant wilde ontvangen. Betrokkene maakt immers
aanspraak op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande en niet
valt in te zien op grond waarvan hij gehouden zou zijn de woonruimte van
[C.] te tonen of haar te vragen de medewerkers van appellant te
ontvangen. Overigens had appellant op grond van artikel 45, vierde lid,
aanhef en onder b, van de Ioaz aan [C.] zelf wél om de door hem
noodzakelijk geachte inlichtingen kunnen vragen.
Gelet op het vorenoverwogene is de Raad met de voorzieningenrechter van
de rechtbank van oordeel dat het besluit van 4 maart 2005 niet voldoende
zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering.
Naar het oordeel van de Raad heeft de voorzieningenrechter van de
rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 maart 2005 dan ook terecht
gegrond verklaard en dat besluit terecht vernietigd. Eveneens heeft de
voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 16 december 2004
terecht herroepen, nu dat besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grond
berust. In zoverre dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Aangezien de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 16
december 2004 heeft herroepen, is er, gelet op het bepaalde in artikel
8:72, vierde lid, van de Awb evenwel geen plaats voor de bepaling dat
appellant een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak dient te
nemen. De aangevallen uitspraak dient dan ook in zoverre te worden
vernietigd.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig appellant te veroordelen in de
proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op €
644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten behoudens
voorzover daarbij appellant is opgedragen een nieuw besluit op het
bezwaar te nemen;
Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep
tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Cranendonck
aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A
van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 6 maart 2007.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.C. Palmboom.
|
|