|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/585
IOAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 december 2005,
04/1115 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delfzijl
(hierna: College).
Datum uitspraak: 6 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen,
hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Veen en
het College door K.J. Hoiting, werkzaam bij de gemeente Delfzijl.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant exploiteerde sedert 1989 aanvankelijk de eenmanszaak [naam
zaak], later [naam zaak 2] geheten. Dit bedrijf had als hoofdactiviteit
het ontwerpen en vervaardigen van werktekeningen ten behoeve van
staalbouw, -constructie en -fabricage. Op 14 mei 2001 vroeg appellant
met het oog op de voorgenomen beëindiging van het bedrijf een uitkering
aan ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: Ioaz).
Bij besluit van 14 november 2002 heeft het College aan appellant met
ingang van 27 september 2002 (de datum van uitschrijving uit het
handelsregister van de Kamer van Koophandel) een uitkering ingevolge de
Ioaz toegekend naar de grondslag voor een alleenstaande. Aan de
verlening van die uitkering is onder meer de voorwaarde verbonden dat
appellant vóór 1 april 2003 een aantal stukken, waaronder de
liquiditeitsbalans (lees: liquidatiebalans) en de jaarrekening over 2002
overlegt.
Naar aanleiding van de resultaten van een heronderzoek heeft het College
bij besluit van 23 april 2004 de Ioaz-uitkering van appellant met ingang
van 27 september 2002 ingetrokken op de grond dat appellant zijn
bedrijfsactiviteiten niet heeft gestaakt.
Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het College het tegen het besluit
van 23 april 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 19 oktober 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat hij zijn
bedrijfsactiviteiten voor [naam zaak 2] wel degelijk heeft gestaakt zij
het dat hij na 27 september 2002 nog wat onderhanden werk heeft
afgerond, dat hij per 1 januari 2003 met een nieuw eenmansbedrijf (een
ingenieursbedrijf voor bouw, weg- en waterbouw) is gestart en dat hij te
goeder trouw is afgegaan op informatie van derden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ioaz wordt
onder gewezen zelfstandige verstaan de persoon die voor de voorziening
in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep
en die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en na het bereiken
van de leeftijd van 55 jaar het bedrijf of beroep heeft beëindigd.
Artikel 6, eerste lid, van de Ioaz bepaalt dat geen recht op uitkering
ontstaat, zolang het bedrijf of beroep door de zelfstandige en de
echtgenoot niet is beëindigd. Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en
onder a, van de Ioaz heeft geen recht op uitkering de gewezen
zelfstandige die zelf dan wel van wie de echtgenoot de arbeid in bedrijf
of beroep hervat of aanvangt.
De Raad stelt voorop dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf
heeft aangelegd door zich te beperken tot de vraag of het College in
redelijkheid heeft kunnen concluderen dat appellant zijn
bedrijfsactiviteiten in de periode van 27 september 2002 tot en met 31
december 2002 niet heeft beëindigd. Voor een dergelijke, terughoudende,
toetsing bestaat gelet op de tekst van artikel 2 van de Ioaz in
verbinding met artikel 6 van de Ioaz geen grond. Van
beoordelingsvrijheid voor het bevoegde bestuursorgaan is daarin immers
geen sprake. Dit betekent dat de bestuursrechter zich terzake ten volle
een eigen oordeel dient te vormen.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant zijn
bedrijfsactiviteiten in de periode van 27 september 2002 tot en met 31
december 2002 niet heeft beëindigd en neemt de overwegingen die tot het
oordeel hebben geleid over. Hij voegt hieraan nog toe dat niet is
gebleken dat appellant overeenkomstig de daartoe opgelegde verplichting
een liquidatiebalans van het bedrijf [naam zaak 2] heeft overgelegd.
Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant met ingang
van 1 januari 2003 niet als gewezen zelfstandige in de zin van de Ioaz
kon worden aangemerkt, reeds omdat hij - onbetwist - per die datum met
een nieuw bedrijf is gestart. Dat het daarbij naar zijn stelling niet om
een voortzetting van zijn eerdere bedrijf ging maar om andersoortige
bedrijfsactiviteiten doet daaraan, gelet op artikel 6, derde lid, aanhef
en onder a, van de Ioaz, niet af.
Het door appellant ook in hoger beroep gehandhaafde beroep op het
vertrouwensbeginsel faalt. Voor zover bij appellant al verwachtingen
zijn gewekt ten aanzien van (de voortzetting van) zijn vermeende recht
op Ioaz-uitkering merkt de Raad op dat deze waren gebaseerd op
uitlatingen van derden en dus niet zijn opgewekt door het terzake
beslissingsbevoegde bestuursorgaan. Het had in de rede gelegen dat
appellant zich voor toegespitste informatie over uitkeringsrechten voor
(gewezen) zelfstandigen tot het College of daarvoor werkzame medewerkers
had gewend.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, met verbetering
van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.H.M.
Roelofs en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.
van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2007.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) S. van Ommen.
|
|