|
Uitspraak
00/5068 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam VOF], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.
Namens eiseres is mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, op de bij
beroepschrift van 14 september 2000 aangevoerde gronden bij de Raad in
beroep gekomen van een door verweerder op bezwaar genomen besluit van 15
augustus 2000 waarbij is bepaald dat [bedrijfsnaam I] en [bedrijfsnaam
II] met ingang van 1 april 1999 aangesloten zijn bij sector 57,
Stukadoorsbedrijf.
Bij brief van 16 november 2000 heeft verweerder een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 maart
2003, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeur
A. Janssen, bijgestaan door mr. Van Steijn voornoemd als raadsman.
Verweerder is bij die gelegenheid verschenen bij gemachtigde F.H.
Zwijnenberg, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de onderneming van eiseres met ingang van 1
april 1999 ter uitvoering van het bepaalde in dan wel krachtens de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 terecht en op goede gronden is
ingedeeld bij sector 57, zijnde Stukadoorsbedrijf.
De Raad beantwoordt die vraag anders dan eiseres met verweerder in
bevestigende zin, omdat de hoofdzaak van de door eiseres ontplooide
activiteiten en het voornaamste deel van de verloning betreffende het
premieloon in de periode hier in geding naar aard in wezen bouwkundige
verrichtingen betreffen ter zake van een - ook per 1 januari 2000 in
hoofdzaak - op vloeibare wijze van aanbrengen van sport- en
bedrijfskunststofbovenvloeren op niet gebruiksklare ondervloeren - met
bewerkingen als gieten, smeren, uitwrijven en belijnen met behulp van
allerhande materialen - technisch niet zonder meer met - een woning -
stofferen vanaf de rol kunnen worden gelijkgesteld.
Om die reden dient volgens de Raad het standpunt van eiseres om haar
onderneming te doen indelen bij sector 17, Detailhandel en ambachten te
worden verworpen, nu hiervoor geen genoegzame feitelijke grondslag
bestaat. De Raad ziet evenmin reden om de tot 1 april 1999 terugwerkende
indeling ongedaan te maken, te minder nu hem anders dan eiseres van
nadelige financiλle consequenties ter zake van premieverplichtingen
voor enig personeel te dien tijde in verhouding tot de door
laatstgenoemde kennelijk meer aanvaardbaar geachte peildatum 1 januari
2000 niet is gebleken. Daarenboven heeft de Raad, gegeven ook de
verdediging van verweerder blijkens de stukken en ter zitting van de
Raad, niet kunnen vaststellen dat ter zake van ondernemingen als de
onderhavige in streven en uitvoering van beleid een notoir willekeurige
dan wel ongelijke behandeling zou zijn, althans worden gevolgd. Ook
overigens heeft hetgeen vanwege eiseres is betoogd de Raad niet tot een
andere overtuiging kunnen brengen. Daarbij is nog van belang dat in
bedoelde perioden in geding het leggen van tennistapijten - nog - niet
een groot deel van de activiteiten van eiseres besloeg.
Het beroep van eiseres kan op grond van het vorenoverwogene dan ook niet
slagen.
De Raad acht deswege geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 april 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|