|
Uitspraak
00/5224 OSV en 02/4455 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, (hierna: het uitvoeringsorgaan).
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het uitvoeringsorgaan tevens verstaan het
Lisv.
Bij besluit van 25 augustus 2000 heeft het uitvoeringsorgaan,
beslissende op het bezwaarschrift van [betrokkene] tegen de
indelingsbeslissing van 9 februari 2000, bepaald dat de eenmanszaak van
[betrokkene] vanaf 1 januari 2000 dient te zijn aangesloten bij sector
32. Overig goederenvervoer te land en in de lucht.
Namens [betrokkene] heeft mr. P. Ruitenberg, werkzaam bij ARAG
Rechtsbijstand te Leusden, op bij beroepschrift van 2 oktober 2000 aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen het besluit
van 25 augustus 2000.
Het uitvoeringsorgaan heeft bij brief van 2 februari 2001 van verweer
gediend.
Bij besluit van 29 november 2000 heeft het uitvoeringsorgaan ongegrond
verklaard de bezwaren van [betrokkene] tegen het besluit van 12 mei 2000
waarbij aan [betrokkene] is medegedeeld welke premie het
uitvoeringsorgaan ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in het premiejaar 2000, benevens
de door iedere werkgever verschuldigde basispremie, ten laste van hem
zal worden vastgesteld.
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 16 juli 2002 het tegen dat
besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens [betrokkene] heeft mr. Ruitenberg, voornoemd, op bij aanvullend
beroepschrift van 7 oktober 2002 aangevoerde gronden bij de Raad hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle.
Het uitvoeringsorgaan heeft bij schrijven van 28 oktober 2002 van
verweer gediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
28 mei 2003, waar [betrokkene] met voorafgaand schriftelijk bericht niet
is verschenen, terwijl het uitvoeringsorgaan zich in het geding
geregistreerd onder nummer 00/5224 OSV heeft doen vertegenwoordigen door
F.H. Zwijnenberg, en in het geding geregistreerd onder nummer 02/4455
WAO door mr. F.L.M. Schόtz, beiden werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 25 augustus 2000 heeft het
uitvoeringsorgaan gehandhaafd zijn indelingsbesluit van 9 februari 2000
waarbij [betrokkene] is meegedeeld dat zijn onderneming per 1 januari
2000 is ingedeeld bij sector 32. Overig goederenvervoer te land en in de
lucht, omdat gebleken is dat de loonsom van het transportgedeelte hoger
is dan die van de horeca-activiteiten
In beroep heeft [betrokkene] zich op het standpunt gesteld dat de
(her)indeling al ingaande 1 januari 1997 dient plaats te vinden omdat de
loonsom van het transportgedeelte van de onderneming sedert 1 januari
1997 hoger is dan de loonsom van de horeca-activiteiten. De "in de
regel-bepaling" is naar de mening van [betrokkene] hier niet van
toepassing omdat zich in 1997 een structurele verandering in de
bedrijfsuitoefening van de bestaande samengestelde onderneming heeft
voorgedaan die aansluiting bij sector 32. Overig goederenvervoer te land
en in de lucht met ingang van 1 januari 1997 rechtvaardigt. Daarnaast is
naar voren gebracht dat het uitvoeringsorgaan al dan niet ambtshalve tot
gesplitste indeling van de afzonderlijke bedrijfsonderdelen had dienen
te besluiten.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (Osv 1997) deelt de Minster van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren in, waarbij
elke sector een of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten
daarvan omvat. Bij besluit van 25 februari 1997, Stcrt. 1997, 41, zoals
nadien gewijzigd, heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven
in sectoren vastgesteld. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Osv
1997 is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de krachtens
artikel 51 van de Osv 1997 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden
behoren die hij als werkgever doet verrichten. Ingevolge het tweede lid
van artikel 52 van de Osv 1997 is een werkgever die werkzaamheden doet
verrichten die behoren tot verschillende sectoren van rechtswege
aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor hij
als werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon betaalt. Een
overgang naar een andere sector van een samengestelde onderneming kan
niet eerder plaatsvinden nadat is voldaan aan de artikel 52, tweede lid,
van de Osv 1997 bedoelde "in de regel-bepaling", waarbij
gekeken dient te worden naar de grootste loonsom gedurende drie
achtereenvolgende jaren. Uitgaande van het gegeven dat de premieloonsom
sociale verzekeringen van het transportbedrijf eerst vanaf 1997 de
premieloonsom sociale verzekeringen van het horecabedrijf overtrof heeft
het uitvoeringsorgaan op juiste wijze de ingangsdatum van de herindeling
bepaald op 1 januari 2000. Anders dan [betrokkene] ziet de Raad in de
oprichting van de VOF [naam snackbar], waarbij het horeca gedeelte een
zelfstandig opererende bedrijfstak is geworden, niet een zodanige
structurele wijziging in de onderneming van [betrokkene] op grond
waarvan het uitvoeringorgaan van zijn in artikel 53, vierde lid van de Osv
1997, gegeven bevoegdheid gebruik had moeten maken om de aansluiting
bij sector 32. Overig goederenvervoer te land en in de lucht met ingang
van 1 januari 1997 te doen plaatsvinden.
Ten aanzien van het verzoek van [betrokkene] om een gesplitste indeling
van de afzonderlijke bedrijfsonderdelen merkt de Raad op dat ook hem
niet is gebleken van een expliciet verzoek daartoe van de zijde van
[betrokkene]. Voor zover er na 1januari 2000 een verzoek tot splitsing
is gedaan kan dat gelet op het te hanteren datumbeleid niet resulteren
in een aansluiting met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997.
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het
uitvoeringsorgaan de onderneming van [betrokkene] met ingang van 1
januari 2000 in redelijkheid heeft kunnen indelen in sector 32. Overig
goederenvervoer te land en in de lucht. Het beroep tegen het besluit van
25 augustus 2000 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Voorts is in geding het antwoord op de vraag of het uitvoeringsorgaan de
gedifferentieerde premie ingevolge de WAO voor het jaar 2000 op juiste
gronden heeft vastgesteld op 4,17%.
De voornaamste grief van [betrokkene] is dat ten onrechte de
gedifferentieerde premie voor de sector transport is toegepast, omdat de
WAO-uitkering ten laste komt van het horecagedeelte van zijn
onderneming. Om die reden acht hij het dan ook niet redelijk dat thans
over de gehele premieloonsom de gedifferentieerde premie wordt
vastgesteld.
De Raad merkt op dat voor de beoordeling van de Wet premiedifferentiatie
en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen ιιn
aansluitingsnummer, ongeacht het aantal verzekeringsrelaties als eenheid
wordt gezien. Indien er sprake is van een samengestelde onderneming gaat
het om de totale lasten van deze onderneming. Dientengevolge worden de
WAO-gevallen alsmede de premieloonsommen van zowel het horecagedeelte
als het transportgedeelte van de samengestelde onderneming van
[betrokkene] in zijn geheel meegenomen in de berekening van
gedifferentieerde premie, ongeacht in welk bedrijfsonderdeel de
betrokken werkneemster werkzaam was. Mede onder verwijzing naar hetgeen
de Raad hierboven heeft overwogen in de indelingszaak is naar het
oordeel van de Raad de WAO-uitkering van de ex-horecawerkneemster, welke
in 1998 tot uitbetaling is gekomen, op grond van artikel 4, tweede en
vijfde lid, van het besluit premiedifferentiatie WAO, terecht meegenomen
voor de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie.
Gelet op het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2000 ongegrond;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|