|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/1616 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam eiser] handelend onder de naam [naam B.V.], gevestigd te
[vestigingsplaats], eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 februari 2003 heeft verweerder eiser
niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen het besluit van 16
oktober 2002, waarbij eiser in kennis is gesteld dat hij per 1 januari
2003 ingeschreven wordt bij de sector 012, Metaal- en Technische
bedrijfstakken.
Tegen dat besluit heeft eiser bij gemachtigde A.W.G.H. Hendriks,
werkzaam bij Hendriks & Partners, personeeladviseurs te Uden, op bij
beroepschrift van 2 april 2003 (met bijlagen) aangevoerde gronden beroep
ingesteld bij de Raad.
Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 11 juni 2003 ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24
september 2003, waar eiser in persoon is verschenen, terwijl verweerder
zich heeft doen vertegenwoordigen door R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken de volgende feiten en
omstandigheden, die door partijen niet worden betwist.
Bij brief van 16 oktober 2002 heeft verweerder eiser meegedeeld dat
eiser, die ingedeeld was bij de sector 041, Groothandel I, per 1 januari
2003 wordt ingedeeld bij de sector 012, Metaal- en Technische
bedrijfstakken. In deze brief was een bezwaarclausule opgenomen. In het
op 24 januari 2003 gedateerde bezwaarschrift onderkent eiser weliswaar
dat te laat bezwaar is ingesteld, maar hij beroept zich in deze op een
overmachtssituatie bestaande uit de omstandigheid dat zijn
administratrice ten tijde van het onderzoek, alsmede ten tijde van de
besluitvorming, met zwangerschapsverlof was. Verweerder heeft bij op
bezwaar genomen besluit van 28 februari 2003 besloten eiser
niet-ontvankelijk te verklaren aangezien eiser zonder gegronde redenen
niet binnen de gestelde termijn bezwaar heeft aangetekend. Daarbij heeft
verweerder opgemerkt dat de door eiser aangegeven redenen voor de te
late indiening van het bezwaar niet voldoende zijn om te kunnen spreken
van een verschoonbare termijnoverschrijding.
De Raad overweegt als volgt.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of verweerder eiser bij
besluit van 28 februari 2003 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft
verklaard wegens het feit dat eiser bij het instellen van bezwaar de
ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9, en 6:11 van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen, en dat niet is
gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan
worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is geweest.
De Raad stelt vast dat het bezwaarschrift ruimschoots te laat is
ingediend. Met verweerder is de Raad van oordeel dat de door eiser
aangevoerde argumenten voor het te laat indienen van het bezwaarschrift
in de bezwaarprocedure geen steekhoudende redenen zijn om de
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Deze argumenten liggen in
de risicosfeer van eiser en eventuele gevolgen daarvan dienen voor
rekening en risico van eiser te komen. Eiser had zelf met betrekking tot
die omstandigheden tijdig maatregelen kunnen treffen waardoor zijn
belangenbehartiging veilig gesteld zou zijn.
Gelet op het voorgaande dient voormelde vraag ontkennend beantwoord te
worden en dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termijn aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|