|
Uitspraak
01/2641 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.
Namens eiseres heeft mr. W.J.M. van Ophuizen, advocaat te Houten, op bij
aanvullend beroepschrift van 16 juli 2001 aangevoerde gronden bij de
Raad beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 maart
2001, waarbij het bezwaar tegen verweerders besluit van 11 oktober 2000
ongegrond is verklaard.
Bij brief van 26 juli 2001 heeft verweerder een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 30 oktober 2003.
Aldaar heeft eiseres zich doen vertegenwoordigen door haar directeur
operations [naam directeur], bijgestaan door mr. Van Ophuizen voornoemd
als raadsvrouw, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen
door R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 6 augustus 1998 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat
zij per 1 augustus 1998 is aangesloten bij de sector Uitleenbedrijven,
risicopremiegroep Detacheringsbedrijven. Het tegen dit besluit
aangetekend bezwaar is door eiseres bij brief van 17 november 1998
ingetrokken.
Naar aanleiding van het per 1 januari 2001 in werking getreden Besluit
indeling uitzendbedrijven heeft verweerder eiseres bij brief van 18
september 2000 een vooraankondiging gestuurd aangaande de wijziging van
haar indeling per 1 januari 2001 naar de sector Zakelijke
Dienstverlening III. In reactie hierop heeft eiseres bij brief van 6
oktober 2000 te kennen gegeven hiermee volledig in te stemmen. Tevens
heeft eiseres hierbij te kennen gegeven reeds destijds de mening te zijn
toegedaan dat zij niet juist was ingedeeld en verzoekt zij om
premiecorrecties over de jaren 1998, 1999 en 2000.
Bij indelingsbesluit van 11 oktober 2000 heeft verweerder eiseres
ingaande 1 januari 2001 ingedeeld in de sector Zakelijke Dienstverlening
III, sector 45.
Verweerder heeft voornoemde brief van eiseres van 6 oktober 2000, zoals
aangevuld door haar schrijven van 2 maart 2001, aangemerkt als een
bezwaarschrift gericht tegen voornoemd besluit en heeft hierop afwijzend
beslist bij het bestreden besluit. Hiertoe heeft verweerder in het
bijzonder overwogen dat eiseres vanaf 1 augustus 1998, gelet op haar
activiteiten en met toepassing van het toen geldende Uitleenbesluit
terecht is ingedeeld in sector 52. Uitzendbedrijven, en voorts, dat zij
met toepassing van het per 1 januari 2001 geldende Uitleenbesluit
terecht is ingedeeld bij sector 45. Zakelijke Dienstverlening III.
De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of sprake is van een besluit
waartegen het rechtsmiddel van beroep openstaat.
In de eerste plaats stelt de Raad vast, nu het door eiseres gemaakte
bezwaar tegen het besluit van verweerder van 6 augustus 1998 is
ingetrokken, dit besluit tussen partijen rechtens verbindend is
geworden.
Anders dan verweerder stelt de Raad voorts vast dat de brief van eiseres
van 6 oktober 2000, zoals aangevuld door haar schrijven van 2 maart
2001, een verzoek omvat om terug te komen op het rechtens verbindend
geworden besluit van 6 augustus 1998.
De Raad is voorts van oordeel dat het bestreden besluit van verweerder
naar inhoud en strekking een weigering bevat om het verzoek van eiseres,
zoals vervat in voornoemde brieven van 6 oktober 2000 en 2 maart 2001,
te honoreren en tot herziening van het besluit van 6 augustus 1998 over
te gaan.
Dit betekent dat het bestreden besluit moet worden aangemerkt als een
zogenoemd primair besluit waartegen ingevolge artikel 7:1 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) het rechtsmiddel van bezwaar openstaat.
Hieruit volgt dat dit besluit niet vatbaar is voor beroep bij de Raad,
zodat het beroep van eiseres tegen het besluit van 19 maart 2001
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, zal het
beroepschrift van eiseres dan ook worden doorgezonden aan verweerder die
het als bezwaarschrift tegen zijn besluit van 19 maart 2001 in
behandeling dient te nemen.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de
proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 644,-.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
Wijst de zaak terug naar het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het
betaalde griffierecht ad € 204,20 te vergoeden;
Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres groot € 644,-,
te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.
|
|