|
Uitspraak
01/2234 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], handelend onder de naam [naam bedrijf], wonende te
[woonplaats], eiseres
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 2 maart 2001 heeft verweerder ongegrond verklaard de
bezwaren van eiseres tegen het besluit van 10 november 2000, waarbij
haar uitzendbureau met ingang van 1 januari 2001 is ingedeeld in sector
12, Metaal- en technische bedrijfstakken.
Tegen dat besluit is eiseres bij gemachtigde mr. drs. P. van de Linde,
werkzaam bij Cox & Partners Belastingadviseurs te Hoofddorp, op bij
aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 26 juni 2001 aangevoerde
gronden bij de Raad in beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 24 juli 2001, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 oktober
2003, waar eiseres, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar voor
verweerder is verschenen R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De bij het bestreden besluit door verweerder gehandhaafde indeling per 1
januari 2001 van het uitzendbureau van eiseres in sector 12, Metaal- en
technische bedrijfstakken, is een uitvloeisel van de inwerkingtreding op
die datum van het op artikel 52, derde lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 gebaseerde Besluit indeling uitzendbedrijven
van 6 oktober 1999, Stcrt. 2000, nr. 49. Bij dit besluit is ingetrokken
het Uitleenbesluit van 30 mei 1958, Stcrt. 119.
In artikel 1, eerste lid, van het Besluit indeling uitzendbedrijven is
bepaald, dat de werkgever, die zich in het kader van de uitoefening van
zijn bedrijf of beroep bezig houdt met het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten aan een derde om krachtens een door deze aan de
werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder leiding en
toezicht van de derde, waarbij die arbeidskrachten werkzaam zijn op
basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in art. 7:690 Burgerlijk
Wetboek (BW), waarin tevens een beding als bedoeld in art. 7:691, tweede
lid, BW is opgenomen, wordt ingedeeld in sector 52. Uitzendbedrijven,
mits met dit ter beschikking stellen van arbeidskrachten meer dan 50%
van het totale premieplichtig loon op jaarbasis is gemoeid.
Op grond van artikel 2 van het besluit wordt de werkgever, die zich
bezig houdt met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als
bedoeld is artikel 1, wanneer met dat ter beschikking stellen meer dan
15, doch niet meer dan 50% van het totale premieplichtige loon op
jaarbasis is gemoeid, voorzover het die werkzaamheden betreft ingedeeld
in sector 52. Uitzendbedrijven.
In artikel 3 is bepaald dat met de werkgever in de vorige artikelen
gelijkgesteld wordt de werkgever, die op basis van een
uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW arbeidskrachten ter
beschikking stelt - niet zijnde arbeidskrachten als bedoeld in artikel
1, eerste en tweede lid -, mits door die arbeidskrachten geen
werkzaamheden worden verricht, die sec functioneel bezien voor meer dan
50% van het totale premieplichtig loon op jaarbasis aan ้้n sector
kunnen worden toegerekend.
Artikel 7:691, tweede lid, van het BW bepaalt dat in de
uitzendovereenkomst schriftelijk kan worden bedongen dat die
overeenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling
van de werknemer door de werkgever aan de derde als bedoeld in artikel
7:690 BW op verzoek van die derde ten einde komt. Indien een beding als
bedoeld in de vorige volzin in de uitzendovereenkomst is opgenomen, kan
de werknemer die overeenkomst onverwijld opzeggen.
Verweerder heeft het uitzendbedrijf van eiseres ingedeeld in sector 12
op de grond dat in de arbeidsovereenkomsten met haar personeel niet is
opgenomen het uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid,
van het BW en voorts dat meer dan 50% van het premieplichtig loon over
2000 ziet op werkzaamheden die zijn toe te rekenen aan sector 12.
Dit laatste is in beroep door eiseres niet bestreden. Wel heeft zij
bestreden dat er geen sprake is van een uitzendbeding in de
arbeidsovereenkomsten. Zij heeft erop gewezen dat in 2000 in acht van de
dertien overeenkomsten was opgenomen de volgende clausule:
"Als ontbindende voorwaarde van het contract voor bepaalde tijd
geldt dat wanneer < naam opdrachtgever > de opdracht be๋indigt met inachtneming van
een opzegtermijn van twee maanden, dat ook de arbeidsovereenkomst tussen
< naam werknemer > en [naam bedrijf] van rechtswege vervalt".
Weliswaar wordt in deze contractsbepaling artikel 7:691, tweede lid, van
het BW niet met zoveel woorden genoemd, doch naar de mening van eiseres
kan deze bepaling niet anders worden gezien dan een beding in de zin van
dit artikellid.
De Raad volgt eiseres hierin niet. Met verweerder moet de Raad
vaststellen dat in alle door eiseres overgelegde arbeidsovereenkomsten
een opzegtermijn van ้้n maand is opgenomen. Gelet op artikel 7:691,
tweede lid, tweede volzin, van het BW kan de door eiseres genoemde
clausule dan ook niet worden aangemerkt als een uitzendbeding in de zin
van dit artikellid. Kenmerkend voor dit uitzendbeding is dat de
werknemer zonder gebonden te zijn aan een opzegtermijn de
uitzendovereenkomst kan opzeggen. Daarvan is in het geval van eiseres
geen sprake.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden
verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond;
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|