|
Uitspraak
01/3637 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 28 mei 2001 heeft verweerder, beslissende op het
bezwaarschrift van eiseres tegen de indelingsbeslissing van 18 december
2000, bepaald dat eiseres met ingang van 1 juli 2002 is aangesloten bij
sector 12. Metaal- en technische bedrijfstakken.
Namens eiseres heeft G.J. Muller, directeur van eiseres, op bij
beroepschrift van 3 juli 2001 aangevoerde gronden, aangevuld bij
schrijven van 3 mei 2002, beroep ingesteld tegen het besluit van 28 mei
2001.
Verweerder heeft bij brief van 16 augustus 2001 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 december
2003, waar namens eiseres is verschenen G.J. Muller, voornoemd, terwijl
verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door van R.J.L. van Wijk,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 28 mei 2001 heeft verweerder gehandhaafd
zijn indelingsbesluit van 18 december 2000 waarbij eiseres is meegedeeld
dat haar onderneming dient te worden is ingedeeld bij sector 12. Metaal-
en technische bedrijfstakken, omdat gebleken is dat het grootste
gedeelte van de loonsom, hoewel het verschil niet substantieel is, van
het bedrijf wordt besteed aan shredderactiviteiten en niet aan de
handelsactiviteiten van haar onderneming. Verweerder heeft daarbij,
gelet op de destijds aangevoerde komende en ingrijpende wijzigingen in
het bedrijf van eiseres, besloten de indeling te effectueren per 1 juli
2002 in plaats van per 1 juli 2001, zoals vermeld in het besluit van 18
december 2000.
In beroep heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat bedrijven die
ingedeeld zijn bij sector 12. Metaal- en technische bedrijfstakken zich
bezig houden met het produceren van eindproducten, waarbij winst of
verlies afhankelijk is van de economische situatie. Eiseres heeft
daarbij aangegeven dat zij via de handel weliswaar grondstoffen levert
die uiteindelijk deels in voornoemde sector terechtkomen, maar dat deze
grondstoffen verkregen worden door enerzijds handel en anderzijds het
shredderen van elektrakabel. Naar de mening van eiseres heeft verweerder
miskend dat de winsten en of verliezen niet bepaald worden door de
economische situatie van het moment, maar door speculatieve invloeden
afhankelijk van de goederentermijnmarkt. Ter zake van de
loonsomverhouding heeft eiseres in haar beroepschrift naar voren
gebracht dat thans de loonsomverhouding een ander beeld oplevert. Voorts
heeft eiseres een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, omdat
vergelijkbare bedrijven ingedeeld zijn in sector 42. Groothandel II.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (Osv 1997) deelt de Minster van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren in, waarbij
elke sector een of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten
daarvan omvat. Bij besluit van 25 februari 1997, Stcrt. 1997, 41, zoals
nadien gewijzigd, heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven
in sectoren vastgesteld. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Osv 1997 is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de krachtens
artikel 51 van de Osv 1997 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden
behoren die hij als werkgever doet verrichten. Ingevolge het tweede lid
van artikel 52 van de Osv 1997 is een werkgever die werkzaamheden doet
verrichten die behoren tot verschillende sectoren van rechtswege
aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor hij
als werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon betaalt.
Met toepassing van voornoemde bepalingen is de Raad met verweerder van
oordeel dat moet worden vastgesteld dat er sprake is van een
samengestelde onderneming en dat in de betreffende periode het grootste
deel van de door eiseres verloonde bedragen, hoewel marginaal, aan de
shredderactiviteiten zijn besteed. Dat de loonsomverhouding thans een
ander beeld te zien zou geven in het voordeel van de handelsactiviteiten
van eiseres doet daaraan niet af.
Het namens eiseres gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel kan naar het
oordeel van de Raad niet slagen. Desgevraagd heeft verweerder ter
zitting nader toegelicht dat de met naam genoemde collega-bedrijven
onderzocht zijn en dat dit onderzoek heeft opgeleverd dat vier bedrijven
terecht zijn ingedeeld in sector 42. Groothandel II, dat één bedrijf
terecht is ingedeeld in sector 12. Metaal- en technische bedrijven en
dat één bedrijf ten onrechte was ingedeeld bij sector 42. Groothandel
II, hetgeen inmiddels per 1 januari 2002 is geredresseerd.
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat verweerder
eiseres
met ingang van 1 juli 2002 terecht heeft ingedeeld in sector 12. Metaal-
en technische bedrijven. Het beroep tegen het besluit van 28 mei 2001
dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Rechtdoende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter, en mr. R.C. Stam
en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2004.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) R.E. Lysen.
|
|