|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4448 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[B.V. X.], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 3 september 2003 heeft verweerder eiseres niet ontvangen
in haar bezwaren tegen de indelingsbeslissing van 19 juni 2003 wegens
overschrijding van de geldende bezwaartermijn.
Namens eiseres is J. [naam algemeen directeur], algemeen directeur van
eiseres, bij brief van 5 september 2003 tegen dit besluit bij de Raad in
beroep gekomen.
Verweerder heeft bij brief van 11 november 2003 van verweer gediend.
Eiseres heeft bij brief van 28 januari 2004 nog nadere stukken in geding
gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 februari
2004, waar voor eiseres is verschenen J. [naam algemeen directeur],
voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door
R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of verweerder eiseres bij
besluit van 3 september 2003 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft
verklaard wegens het feit dat eiseres bij het instellen van bezwaar de
ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen, en dat niet is
gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan
worden geoordeeld dat eiseres niet in verzuim is geweest.
Bij besluit van 19 juni 2003 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld te
hebben besloten tot een herindeling van eiseres van sector 54. Culturele
instellingen naar sector 44. Zakelijke Dienstverlening II. Bij brief van
14 augustus 2003 heeft [naam algemeen directeur], voornoemd, namens
eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In dit bezwaarschrift
schrijft [naam algemeen directeur], voornoemd: "In verband met de
vakantieperiode is uw brief mij pas deze week onder ogen gekomen,
vandaar dat ik per ommegaande reageer".
De Raad stelt vast dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Met
verweerder is de Raad van oordeel dat het door eiseres aangevoerde
argument voor het te laat indienen van het bezwaarschrift in de
bezwaarprocedure geen steekhoudende redenen zijn om de
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Naar het oordeel van de
Raad mocht verweerder er terecht van uitgaan dat met bovenvermelde
mededeling verwezen werd naar omstandigheden die betrekking hadden op de
gevolgen van de vakantieperiode in het bedrijf van eiseres. Deze
argumenten liggen in de risicosfeer van eiseres en eventuele gevolgen
daarvan dienen voor rekening en risico van eiseres te komen.
Gelet op het voorgaande dient het beroep van eiseres ongegrond te worden
verklaard.
De Raad acht geen termijn aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van mr. A.
Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2004.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A. Kovács.
|
|