|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/785 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], h.o.d.n. [naam eenmanszaak], gevestigd te [vestigingsplaats],
eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 3 september 2003 heeft verweerder eiser
niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen het besluit van 14
april 2003, waarbij eiser er van in kennis is gesteld dat hij met ingang
van 1 maart 2003 is heringedeeld van sector 41. Groothandel I, bij
sector 12. Metaal- en technische bedrijfstakken.
Tegen dat besluit heeft eiser op bij beroepschrift van 24 september 2003
(met bijlagen) aangevoerde gronden beroep ingesteld bij de Raad.
Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 6 januari 2004 ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei
2004, waar eiser in persoon is verschenen met D.L.H. van der Heijden,
administrateur van eiser, terwijl verweerder zich heeft doen
vertegenwoordigen oor R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken de volgende feiten en
omstandigheden, die door partijen niet worden betwist.
Bij brief van 14 april 2003 heeft verweerder eiser meegedeeld dat eiser,
die ingedeeld was bij de sector 041, Groothandel I, per 1 maart 2003 is
ingedeeld bij sector 012, Metaal- en Technische bedrijfstakken. In deze
brief was een bezwaarschriftclausule opgenomen. Eiser heeft tegen dit
besluit bezwaar gemaakt op 10 juli 2003. Bij brief van 25 juli 2003
heeft verweerder eiser verzocht aan te geven waarom het bezwaarschrift
niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zes weken na dagtekening
van de bestreden beslissing is ingediend. Bij brief van 28 juli 2003
heeft eiser weliswaar onderkend dat te laat bezwaar is ingesteld, maar
hij beroept zich in deze op een overmachtsituatie bestaande uit de
omstandigheid dat van der Heijden, voornoemd, eerst per 1 mei 2003 in
dienst is getreden bij [naam eenmanszaak] en de taken van administrateur
vervult binnen de organisatie, waardoor deze pas in een later stadium
het schrijven van verweerder waarin de sectorwijziging stond
aangekondigd onder ogen heeft gekregen. Daarnaast voert hij aan dat
[naam eenmanszaak] een nieuw bedrijf is dat bekend moet raken met alle
facetten van het runnen van een bedrijfshuishouding. Verweerder heeft
bij op bezwaar genomen besluit van 3 september 2003 besloten eiser
niet-ontvankelijk te verklaren aangezien eiser zonder gegronde redenen
niet binnen de gestelde termijn bezwaar heeft aangetekend. Daarbij heeft
verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door eiser aangegeven
redenen voor de te late indiening van het bezwaar niet voldoende zijn om
te kunnen spreken van een verschoonbare termijnoverschrijding.
De Raad overweegt als volgt.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of verweerder eiser bij
besluit van 3 september 2003 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft
verklaard op de grond dat eiser bij het instellen van bezwaar de
ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9, en 6:11 van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen, en dat niet is
gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan
worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is geweest.
De Raad stelt vast dat het bezwaarschrift ruimschoots te laat is
ingediend. Met verweerder is de Raad van oordeel dat de door eiser
aangevoerde argumenten voor het te laat indienen van het bezwaarschrift
in de bezwaarprocedure niet steekhoudend zijn om de
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Deze argumenten liggen in
de risicosfeer van eiser en eventuele gevolgen daarvan dienen voor
rekening en risico van eiser te komen. Daarbij tekent de Raad ook nog
aan dat op het moment dat Van der Heijden, voornoemd, in dienst trad, er
nog voldoende tijd was om binnen de geldende termijn bezwaar aan te
tekenen.
Dit betekent dat het beroep van eiser niet kan slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|