|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4643 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 31 juli 2002 heeft verweerder, beslissende op het
bezwaarschrift van eiseres van 13 juni 2002, gehandhaafd dat eiseres met
ingang van 1 maart 2002 (voorheen reeds als eenmanszaak in de
schoonmaakbusiness per 1 januari 2002) is aangesloten bij de sector 21.
Havenclassificeerders.
Namens eiseres heeft vennoot K.T. Hulzebos op bij beroepschrift van 26
augustus 2002 aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen evenbedoeld
besluit.
Verweerder heeft bij brief van 28 oktober 2002 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 juli
2004, waar eiseres niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Eiseres keert zich in beroep tegen de indeling van haar
schoonmaakbedrijf in de voedingsmiddelenindustrie bij sector 21, waarbij
naast classificeerdersbedrijven ook industriële reinigingsbedrijven
ondergebracht zijn. Zij wenst ten tijde in geding in de beginfase van
2002 indeling in reinigingssector 18, omdat de rechtspositonele belangen
van medewerkers en de concurrentiepositie van het bedrijf medebrengen
dat alsdan in de bedrijfsvoering de gewenste CAO voor het schoonmaak- en
glazenwassersbedrijf kan worden gevolgd en aansluiting bij de
branchevereniging ter organisatie van de schoonmaakbedrijven alsnog kan
worden verkregen. Daarbij heeft eiseres erop gewezen dat zij uit hoofde
van eigen onderzoek een zestal reinigingsbedrijven kent, die exact
dezelfde werkzaamheden zouden uitvoeren als haar bedrijf, welke anders
dan zij wel zijn ingedeeld in sector 18.
Verweerder blijft zich hiertegenover bij verweer in overeenstemming met
het bestreden besluit op het standpunt stellen dat gelet op de
feitelijke bedrijfsactiviteiten van het bedrijf ter zake van reiniging
van machines en leidingen van technische installaties bij wege van
assimilatie in 2002 geen plaats is voor een andere indeling dan bij
sector 21, nu hiermede wordt aangesloten bij indeling van daarmede
technisch op een lijn te stellen classificeerders- en
scheepsonderhoudsbedrijven. Verweerder heeft het beroep op het
gelijkheidsbeginsel als te vaag en eventueel vatbaar voor nader
onderzoek, wanneer vergelijkbare bedrijven met name zouden zijn
aangegeven - hetgeen niet het geval is - verworpen.
De Raad overweegt daaromtrent dat het gegeven de vigerende
indelingsregelgeving en - artikel 97l van - de Werkloosheidswet benevens
de op basis hiervan ter uitvoering gevolgde nauw luisterende
beleidsregels ter zake van - assimilatie van - indelingen niet vrijstaat
aanpalende regelingen als de onderhavige CAO en organisatorische en
rechtspositionele branchebelangen te doen prevaleren binnen het kader
van zulk een weloverwogen indeling zoals die hier gerelateerd aan de
hand van de functie en de aard van de feitelijke activiteiten van het
bedrijf terecht en op goede gronden beslag heeft gekregen. De Raad
constateert dat partijen met betrekking tot die activiteiten als zodanig
ook niet van mening verschillen. Deze betreffen onmiskenbaar het
inwendig reinigen van machines en leidingen van technische installaties
waarbij het te dezen werkzaam zijn op het terrein van de
voedingsindustrie gezien de kern van de bedrijfsverrichtingen niet aan
assimilatie met de in sector 21 ondergebrachte technisch verwante
bedrijven in de weg behoeft te staan.
Daarenboven oordeelt de Raad dat de grief betreffende vergelijkbare
elders ingedeelde bedrijven als te vaag en onvoldoende geconcretiseerd
dient te falen, waarbij hij aantekent dat een eventueel nader onderzoek,
indien mogelijk, geenszins vermag te betekenen dat enige gebleken
onjuiste indeling in andere gevallen ook in casu dient te worden
gevolgd. Onder de gegeven omstandigheden kon volgens de Raad van
verweerder evenwel zonder nadere gegevens bezwaarlijk een volledig
doorlopen van sector 18 worden gevergd.
Op grond van het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van de Raad
het beroep van eiseres niet slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|