|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4781 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 26 augustus 2002 heeft verweerder, beslissende op het
bezwaarschrift van eiseres van 30 november 2000, bepaald dat eiseres met
ingang van 1 januari 2001 is aangesloten bij sector 3. Bouwbedrijf.
Namens eiseres heeft [directeur], directeur bij PartnerConsult
Adviesgroep bv (hierna:PCA) op bij beroepschrift van 6 september 2002,
met een aanvulling van 13 december 2002 aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen evenbedoeld
besluit.
Verweerder heeft bij brief van 13 januari 2003 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 juli
2004, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde M. Knol, medewerker bij
PCA, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door R.J.L. van
Wijk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Eiseres keert zich in beroep tegen haar herindeling bij het na bezwaar
genomen bestreden besluit van verweerder om haar vanaf 1 januari 2001 in
te delen bij sector 3. Bouwbedrijf, zijnde de datum waarop het nieuwe
Uitzendbesluit in werking is getreden en van toepassing is geworden. Zij
ziet zulks als een alleen op loon- en arbeidsgegevens uit 2000
gebaseerde toevalstreffer voor een op 1 januari van dat jaar gestarte
onderneming en wenst ten tijde in geding indeling bij sector 52.
Uitzendbedrijven, waarin werkgevers zijn ondergebracht welke zich
bezighouden met het uitzenden van arbeidskrachten, als hoedanig zij
zichzelf als detacheringsbedrijf van technische medewerkers voor
allerhande zakelijke dienstverlening bij diverse opdrachtgevers
beschouwt. Zij acht zich daarenboven door verweerders besluitvorming in
haar gelijkwaardige concurrentiepositie voor een startende onderneming
aangetast.
Verweerder heeft aan zijn bestreden besluit en zijn hiermee in
overeenstemming zijnd verweer, gelijk nader toegelicht ter zitting van
de Raad, ten grondslag gelegd dat:
- verkregen informatie van eiseres uitwijst dat in het
peiljaar 2000 circa 52,25% van het premieloon gemoeid is met
werkzaamheden, welke naar aard ressorteerden onder de werkingssfeer van
sector 3. Bouwbedrijf;
- op grond van artikel 3 van het Uitzendbesluit eiseres
alsdan vanaf 1 januari 2001 van rechtswege ressorteerde onder de
werkingssfeer van sector 3. Bouwbedrijf;
- weliswaar in 2001 de verhoudingen met betrekking tot werk
en premieloon reeds anders lagen, doch dat met toepassing van de “in
de regel”- bepaling, artikel 97 l, tweede lid van de Werkloosheidswet
ter voorkoming van ”duiventileffecten” eerst een periode van drie
jaren moet zijn doorgemaakt, alvorens vanuit een gewijzigde
loonsomverhouding tot een gewijzigde sectorindeling te komen;
- er geen sprake is geweest van een plotseling opgetreden
structurele verandering in de bedrijfsuitoefening, welke tot een nieuwe
beoordeling zou dienen te leiden inzake de van rechtswege bevoegde
sector, nu het bedrijf anno 2004 nog immer bij sector 3 staat
ingeschreven;
- geen uitzendovereenkomsten met echte uitzendbedingen aan
de orde zijn geweest, waardoor niet ware in te delen in sector 52.
Uitzendbedrijven, doch van arbeidsovereenkomsten in vaste dienst met te
detacheren arbeidskrachten om voor en onder leiding en toezicht van
derden werk te verrichten, onder indeling met toepassing van artikel 3
van het Uitzendbesluit in een vaksector, zijnde in casu sector 3.
Bouwbedrijf.
De Raad overweegt dienaangaande dat in casu terecht en op goede gronden,
met toepassing van de artikel 97 l, tweede lid van de Werkloosheidswet
enerzijds en artikel 3 van het nieuwe Uitzendbesluit anderzijds gevoegd
bij de daaromtrent gegeven toelichting omtrent de grondslagen, per 1
januari 2001 is besloten tot indeling van eiseres bij sector 3.
Bouwbedrijf. Dat een relatief korte peilperiode zijnde 2000 voor de
afpaling van de werk- en loonsomverhoudingen bij eiseres als maatstaf
voor de indeling is gebezigd, maakt dit niet anders en is inherent aan
een startende, kort in bedrijf zijnde onderneming en leidt op zichzelf
niet tot een in tijd op minder dan de gebruikelijke drie jaren
gemitigeerde toepassing van de “in de regel”- bepaling van artikel
97 l, tweede lid van de Werkloosheidswet. Zulks is te minder gegeven de
redactie en strekking van de betrokken regelgeving aangewezen, nu
eiseres bij een volgende peildatum 1 januari 2004 nog steeds stond
ingeschreven bij sector 3, en er kennelijk tussentijds geen plotselinge
tot herbeoordeling leidende structurele en duurzame wijziging in de
bedrijfsuitoefening is opgetreden en van een evidente klemmende noodzaak
tot herindeling naar een andere sector als verlangd evenmin concreet en
op overtuigende wijze is gebleken. Daardoor faalt tevens de grief van
eiseres als zou haar indeling op ondubbelzinnige wijze op een arbitraire
toevalstreffer gebaseerd zijn geweest.
In aanmerking genomen voorts dat een te onderscheiden sectorindeling van
de echte uitzendbranche met kortlopende arbeidssituaties tegenover de
daartoe niet direct te rekenen samengestelde bedrijven de regelgever
voor ogen heeft gestaan en bij eiseres in de relevante periode van
toetsing duidelijk geen sprake is geweest van uitzendovereenkomsten met
echte op directe beëindiging gerichte uitzendbedingen ten faveure van
contractspartijen doch veeleer van vaste(re) arbeidsovereenkomsten van
andere strekking kan een juiste uitleg van het slot van te dezen van
toepassing zijnde artikel 3 van het Uitzendbesluit zich naar het oordeel
van de Raad ook niet verdragen met een indeling van eiseres bij sector
52, omdat ook functioneel en naar gespreide aard van de activiteiten
bezien in 2000 meer dan 50% van het totale premieplichtig loon op
jaarbasis onmiskenbaar aan één op zichzelf staande andere sector kon
worden toegerekend dan laatstgenoemde. Een zekere fluctuatie van
activiteiten in de navolgende jaren, dat juist bij een doorstartend
bedrijf kan optreden doch niet direct in de beoordeling kan worden
betrokken, doet geen afbreuk aan de deugdelijkheid van dit oordeel.
Bij de oordeelsvorming ter zake van de indeling vermogen volgens de Raad
tenslotte op basis van het stelsel van de regelgever repercussies op de
concurrentiepositie van het bedrijf van eiseres geen beslissende rol te
spelen.
Op grond van het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van de Raad
het beroep van eiseres niet slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
De Raad beslist mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|