|
Uitspraak
03/4977 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 6 september 2002 heeft gedaagde de indeling van
appellante ingaande 1 januari 2003 gewijzigd van sector 15.
Slagersbedrijven in sector 16. Slagers overig. Hiertegen heeft
appellante bij brief van 14 oktober 2002 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft gedaagde deze bezwaren ongegrond
verklaard.
Appellante heeft hiertegen beroep doen instellen bij de Raad.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16
september 2004, waar voor appellante zijn verschenen P. de Ruijter,
directeur, R. Konijn, financieel manager, en mr. W. van den Brink,
werkzaam bij de Koninklijke Nederlandse Slagersorganisatie te Rijswijk,
en waar voor gedaagde is verschrenen R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende, niet bestreden, feiten.
Appellante voert een vleeshandel. Zij koopt zogenaamde technische delen
in, die door haar worden be- en verwerkt tot voor consumptie geschikte
porties. Zij was ingedeeld in sector 15. Slagersbedrijven (vσσr 1
maart 1997 in de daarmee overeenkomende risicogroep van de toenmalige
bedrijfsvereniging).
Het door appellante be- en verwerkte vlees is bestemd voor levering aan
(overheids)instellingen en horecabedrijven.
Met ingang van 31 december 2001 levert appellante het door haar bewerkte
vlees uitsluitend aan haar zustervennootschap [naam vennootschap]
([vennootschap]), met wie zij, onbetwist, (onderdeel van) een
organisatorische en economische eenheid vormt. [de vennootschap] levert
het vlees, aangevuld met andere voor de menselijke consumptie bestemde
producten door aan de horeca en (overheids)instellingen.
De aanmelding van [de vennootschap] vormde voor gedaagde aanleiding tot
het instellen van een onderzoek. Daaruit trok hij de conclusie dat
appellante (al vσσr 31 december 2001) in de verkeerde sector was
ingedeeld, omdat zij, nu geen levering aan particulieren plaats vindt,
een vleesgrossierderij zou voeren.
Dit standpunt wordt door appellante bestreden met het betoog dat,
behoudens de omvang, haar bedrijfsvoering niet verschilt van die van een
regulier slagersbedrijf; ook slagers is het toegestaan aan de horeca en
instellingen te leveren. De herindeling van appellante zou bovendien in
strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel, omdat zogenaamde grootslagers
als appellante van oudsher zijn ingedeeld in sector 15.
Slagersbedrijven.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 97, eerste lid van de Werkloosheidswet (WW) is een
werkgever van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 97k van
de WW door de minister vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden
behoren die hij als werkgever doet verrichten.
Tot sector 16. Slagers overig behoort op grond van de bijlage bij de
Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren onder
meer de vleesgrossierderij (hierna: de Regeling). Met partijen is de
Raad van oordeel dat daaronder moet worden verstaan de vleesgroothandel.
Ook elders in de Regeling wordt onderscheiden tussen groothandel en
klein (of detail)handel, waarbij de laatste zich, naar het oordeel van
de Raad, kenmerkend onderscheidt van de eerste door de verkoop aan
particulieren.
Appellante verkoopt het door haar be- en verwerkte vlees niet aan
particulieren. Daarom is gedaagde bij de herindeling van appellante per
1 januari 2003 terecht ervan uitgegaan dat het door appellante gevoerde
bedrijf als vleesgrossierderij moet worden aangemerkt.
Gedaagde heeft gemotiveerd bestreden dat (andere) grootslagers door haar
(structureel) in sector 15. Slagersbedrijven zijn of worden ingedeeld.
Appellante heeft, hoewel haar bij herhaling de gelegenheid is geboden,
nagelaten haar daaraan tegengestelde beweringen te onderbouwen. Onder
die omstandigheden kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet
slagen.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel
en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|