|
Uitspraak
02/6021 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [woonplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.
Namens eiseres heeft P.F. Deckers AA., werkzaam bij Deckers &
Partners accountants en belastingadviseurs te Oosterhout, als
gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld tegen het besluit
van verweerder van 26 november 2002, waarbij het bezwaar tegen
verweerders indelingsbeslissing van 9 augustus 2002 ongegrond werd
verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 oktober 2004.
Aldaar heeft eiseres zich doen vertegenwoordigen door haar directeur J.
Heurter, bijgestaan door P.F. Deckers, voornoemd, terwijl verweerder
zich heeft doen vertegenwoordigen door R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 23 augustus 2001 heeft verweerder aan eiseres
medegedeeld dat zij per 13 augustus 2001 is aangesloten bij de sector
uitzendbedrijven, risicopremiegroep Uitzendbedrijven IIa, middenklasse.
Eiseres heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
Eiseres heeft op 10 mei 2002 bezwaar gemaakt tegen de aan haar opgelegde
afrekeningsnota 2001, in welk bezwaar verweerder aanleiding heeft gezien
een nader onderzoek in te stellen met betrekking tot de indeling van
eiseres. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 9 augustus 2002 aan
eiseres medegedeeld de indeling bij de sector Uitzendbedrijven te zullen
handhaven. Vervolgens heeft verweerder het in rubriek I vermelde besluit
genomen.
De Raad overweegt als volgt.
Gelet op de inhoud en strekking van het bezwaarschrift van eiseres van
10 mei 2002, dient dit schrijven naar het oordeel van de Raad te worden
aangemerkt als een verzoek aan verweerder om terug te komen van zijn
besluit van 23 augustus 2001. Verweerder heeft naar aanleiding van dat
verzoek het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwogen. Het
bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat
daaraan niet in de weg. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen,
kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een
oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet
verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het
gebruik van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De Raad zal dan ook het
oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt nemen en zich beperken tot de
vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden.
Eiseres stelt geen uitzendbureau te zijn en uitsluitend werknemers in
dienst te hebben genomen die werkzaam zijn voor [de vennootschap], aan
welke onderneming eiseres gelieerd is. Volgens eiseres is sprake van een
constructie die is ontstaan ten gevolge van een foutieve advisering van
de vorige accountant. De Raad kan in het zijdens eiseres in beroep
gestelde, noch in de overige gedingstukken nieuwe feiten of veranderde
omstandigheden onderkennen. Verweerder had dan ook geen aanleiding
behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad tenslotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M.
Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 december
2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.
|
|