|
Uitspraak
03/4510 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 26 augustus 2003 heeft verweerder het bezwaar van
eiseres tegen het besluit van 24 oktober 2002, waarbij haar bedrijf met
ingang van 1 januari 2003 is ingedeeld in sector 3. Bouwbedrijf,
ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft D. Meijer, werkzaam bij Romevo B.V. te
Badhoevedorp, namens eiseres beroep ingesteld bij de Raad.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 november
2004, waar voor eiseres is verschenen D. Meijer. Verweerder heeft zich
niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Eiseres is een onderneming die zich bezig houdt met:
- de verhuur van multifunctioneel inzetbare grondverzetmachines
inclusief bedienend personeel voor de uitvoering van civieltechnische en
cultuurtechnische werkzaamheden;
- het aannemen van grondverzetwerkzaamheden voor derden;
- het verrichten van agrarisch loonwerk bij boeren;
- het onderhoud aan bermen in opdracht van gemeenten en aannemers;
- in- en verhuur van multifunctioneel inzetbare grondverzet- en
landbouwmachines zonder bedienend personeel;
- transportwerkzaamheden, zowel eigen vervoer als vervoer voor derden.
Eiseres was ingeschreven bij sector 1, Agrarische sector.
Bij het bestreden besluit van 26 augustus 2003 heeft verweerder zijn
standpunt gehandhaafd dat eiseres dient te worden ingedeeld bij sector
3. Bouwbedrijf, omdat gebleken is dat in de jaren 2000 tot en met 2002
het grootste gedeelte van de omzet en verloning betrekking had op
civieltechnische werkzaamheden, die zijn toe te rekenen aan sector 3.
Bouwbedrijf.
Het beroep van eiseres richt zich met name tegen de wijze waarop
verweerder tot deze vaststelling is gekomen. Eiseres heeft in dit
verband gewezen op de algemene regel dat het verloonde bedrag gedurende
drie jaren daarbij bepalend is. Naar de mening van eiseres heeft
verweerder door af te gaan op de BTW-opgave miskend dat het in haar
branche gebruikelijk is in plaats van het hoge of lage BTW-tarief in het
algemeen de BTW-verleggingsregeling te hanteren. Eiseres is bovendien
van oordeel dat het niet aan haar maar aan verweerder is om te bewijzen
dat eiseres is aangesloten bij de verkeerde sector. Voorts heeft eiseres
een beroep gedaan op de lijst Verplichtstelling van deelneming in de
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Met ingang van 1 januari 2002 is de indeling van het bedrijfsleven in
sectoren geregeld in de nieuwe artikelen 97k tot en met 97n, van de
Werkloosheidswet (WW) en de op artikel 97k, van de WW gebaseerde
ministeriële Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in
sectoren. Tot deze datum was de indeling gebaseerd op de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997. Deze laatste wet is per 1 januari 2002
ingetrokken.
Artikel 97k, eerste lid, van de WW voorziet in de indeling van het
bedrijfs- en beroepsleven in sectoren, waarbij elke sector één of meer
takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat. De sectoren als
evenbedoeld zijn nader omschreven in de Regeling indeling van het
bedrijfs- en beroepsleven en de daarbij behorende Bijlage.
Ingevolge artikel 97l, eerste lid, van de WW is een werkgever van
rechtswege aangesloten bij de krachtens artikel 97k, van de WW
vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als
werkgever doet verrichten. Ingevolge het tweede lid is een werkgever die
werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren van
rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren
waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon
betaald of vermoedelijk zal betalen.
Op grond van de onderzoeksbevindingen, welke zijn neergelegd in het
zogenoemde Basisdocument indelingen van 18 juli 2003, is de Raad met
verweerder van oordeel dat eiseres een samengestelde onderneming is en
dat de door eiseres ontplooide activiteiten voor het grootste gedeelte
civieltechnische werkzaamheden betreffen. Daartoe overweegt hij het
volgende.
Van een samengestelde onderneming is sprake wanneer een onderneming uit
twee of meer afzonderlijke bedrijfsonderdelen bestaat, welke onderdelen
als zodanig in het maatschappelijk leven optreden en dus voor de markt
werkzaam zijn, dat wil zeggen aan derden producten of diensten bewijzen.
In dat geval wordt de aansluiting van de werkgever bepaald door dat
bedrijfsonderdeel, waarvoor in de regel het grootste bedrag aan loon
wordt uitbetaald.
Aan de hand van de door eiseres overgelegde urenstaten van de werknemers
over de periode 2000 tot en met 2002 was het niet mogelijk een koppeling
te maken met de aard van de door de werknemers verrichte werkzaamheden,
omdat deze niet op de staten waren vermeld. Evenmin was aan de hand van
de door eiseres ter beschikking gestelde debiteuren- en
facturenadministratie over de jaren 2000 tot en met 2002 vast te stellen
welk gedeelte van de premieloonsom aan welk soort hierboven genoemde
werkzaamheden diende te worden toegerekend. De Raad acht het onder deze
omstandigheden niet onredelijk dat verweerder zich heeft gebaseerd op de
vaststelling van omzetten van de verschillende activiteiten, meer in
concreto op de vaststelling van de omzet per BTW-tarief. Immers, in
beginsel moet elke ondernemer die goederen levert of diensten verricht
BTW aangeven en betalen aan de Rijksbelastingdienst. De zogenaamde
verleggingsregeling ziet specifiek op de bouwsector. Aan de hand van de
door eiseres overgelegde en door eiseres zo genoemde ‘herrekeningen
omzetbelasting 2000 tot en met 2002’ is verweerder vervolgens tot de
conclusie gekomen dat de omzet in hoofdzaak civieltechnische
werkzaamheden betreft, die zijn toe te rekenen aan sector 3.
Bouwbedrijf. Deze conclusie wordt bevestigd door het in juli 2003 door
verweerder ingestelde nader onderzoek naar de stortingen op de
G-rekening van de werkgever over 2002 en 2003. Gemiddeld 64% daarvan
betrof stortingen van opdrachtgevers uit de GWW-sector (sector 3.
Bouwbedrijf).
Naar het oordeel van de Raad is verweerder op grond van deze gegevens
terecht tot de conclusie gekomen dat eiseres ingedeeld behoorde te
worden bij sector 3. Bouwbedrijf.
Eiseres heeft haar stelling dat zij de BTW-verleggingsregeling ook in de
cultuurtechnische sfeer heeft toegepast niet met concrete verifieerbare
gegevens onderbouwd. De Raad merkt hierbij nog op dat in het geval dat
de administratie inzake de omzet van een bedrijf geen getrouw beeld
geeft van de werkelijkheid, het aan eiseres is om dit laatste aan te
tonen. Daarin is zij evenwel niet geslaagd.
Ter voorlichting aan eiseres wijst de Raad er voorts op dat gegeven de
vigerende wet- en regelgeving en de op basis daarvan ter uitvoering
gevolgde beleidsregels ter zake van indelingen het verweerder niet
vrijstaat bij (her)indelingen van ondernemingen regelingen als de
Verplichtstelling van deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds
voor de Bouwnijverheid te doen prevaleren.
Ten slotte ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het bestreden
besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, als voorzitter,
en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in
tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 20 december 2004.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) W.J.M. Fleskens.
|
|