|
Uitspraak
03/2573 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 8 mei 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiseres
tegen het besluit van 18 oktober 2002, waarbij haar bedrijf met ingang
van 1 januari 2003 is ingedeeld in sector 3. Bouwbedrijf, ongegrond
verklaard.
Tegen dit besluit heeft D. Meijer, werkzaam bij Romevo B.V. te
Badhoevedorp, namens eiseres beroep ingesteld bij de Raad.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 november
2004, waar voor eiseres is verschenen D. Meijer. Verweerder heeft zich
niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Eiseres werd ingaande 1 januari 1998 als werkgever bij sector 1.
Agrarisch bedrijf ingeschreven.
In het kader van een periodieke controle of de inschrijvingen van
werkgevers bij een sector nog juist zijn, is bij eiseres een onderzoek
ingesteld. Op basis van uit dit onderzoek naar voren gekomen informatie,
zoals vastgelegd in het buitendienstrapport van 14 mei 2002, is
verweerder tot de conclusie gekomen dat eiseres een enkelvoudige
onderneming is, die zich in het maatschappelijk verkeer opstelt als een
onderneming die zich tot doel stelt het oplossen van
bodemverontreiniging en het saneren van onder- en bovengrondse tanks,
alsmede het aanbrengen van vloeistofdichte bestratingen en alle daarmee
verband houdende grondverzetwerkzaamheden, welke ressorteren onder
sector 3. Bouwbedrijf.
Bij besluit van 18 oktober 2002 heeft verweerder eiseres ingaande 1
januari 2003 ambtshalve ingedeeld bij sector 3. Bouwbedrijf. Tegen dit
besluit heeft eiseres bezwaar ingediend, omdat zij van mening is dat het
grootste gedeelte van de civieltechnische werkzaamheden, wordt
uitbesteed aan derden en dat het onderzoek dient te zijn gericht op het
verloonde bedrag binnen haar onderneming over een periode van 3
aangesloten jaren.
Met betrekking tot dit laatste heeft verweerder bij het besluit op
bezwaar van 8 mei 2003 na aanvullend onderzoek, waarvan verslag is
gedaan in rapporten van 12 maart 2003 en 28 april 2003, overwogen dat
over de jaren 2000 tot en met 2002 geen enkele factuur is aangetroffen
met daarop werkzaamheden vermeld die behoren tot de werkingssfeer van
sector 1. Agrarisch bedrijf. Verweerder blijft bij zijn conclusie dat
eiseres zeker gedurende een periode van drie jaar (2000 tot en met 2002)
onafgebroken hoofdzakelijk werkzaamheden heeft uitgevoerd of heeft doen
uitvoeren die vallen onder de werkingssfeer van sector 3. Bouwbedrijf.
In beroep heeft eiseres het besluit van 8 mei 2003 gemotiveerd
bestreden.
Eiseres heeft daartoe doen aanvoeren dat weliswaar door het bedrijf
werkzaamheden worden aangenomen op het vlak van civiele techniek, maar
dat deze werkzaamheden worden uitbesteed aan derden die ten opzichte van
eiseres functioneren als onderaannemer. Het binnen eiseres verloonde
bedrag op dit vlak is derhalve te verwaarlozen. Eiseres houdt zich
voornamelijk bezig met het (laten) verwijderen van tanks zowel
bovengronds als ondergronds. Op grond van de wel daadwerkelijk verrichte
activiteiten, welke binnen eiseres worden uitgevoerd, is eiseres van
mening dat zij aangesloten zou moeten worden bij sector 45. Zakelijke
dienstverlening.
De Raad overweegt het volgende.
Met ingang van 1 januari 2002 is de indeling van het bedrijfsleven in
sectoren geregeld in de nieuwe artikelen 97k tot en met 97n, van de
Werkloosheidswet (hierna: WW) en de op artikel 97k, van de WW gebaseerde
ministeriële Regeling indeling van het bedrijf- en beroepsleven in
sectoren. Tot deze datum was de indeling gebaseerd op de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997. Deze laatste wet is per 1 januari 2002
ingetrokken.
Artikel 97k, eerste lid, van de WW voorziet in de indeling van het
bedrijfs- en beroepsleven in sectoren, waarbij elke sector één of meer
takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat. De sectoren als
evenbedoeld zijn nader omschreven in de Regeling indeling van het
bedrijfs- en beroepsleven en de daarbij behorende Bijlage.
Ingevolge artikel 97l, eerste lid, van de WW is een werkgever van
rechtswege aangesloten bij de krachtens artikel 97k van de WW
vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als
werkgever doet verrichten. Ingevolge het tweede lid is een werkgever die
werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren van
rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren
waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon
betaalt of vermoedelijk zal betalen.
Blijkens de bijlage behorende bij de op grond van artikel 97k, eerste
lid, van de WW vastgestelde Regeling indeling van het bedrijfs- en
beroepsleven in sectoren behoort een bedrijf, omvattende water- en
wegenbouw alsmede grondwerken, tot sector 3. Bouwbedrijf.
In aanmerking nemende dat de door verweerder gehanteerde maatstaf,
inhoudende dat beslissend is de kernfunctie die een werkgever in het
maatschappelijk verkeer vervult, niet voor onjuist kan worden gehouden,
is de Raad op grond van de stukken en het verhandelde te zijner zitting
met verweerder van oordeel dat moet worden vastgesteld dat de door
eiseres ontplooide activiteiten ten doel hebben het oplossen van
bodemverontreiniging en het saneren van onder- en bovengrondse tanks,
het aanbrengen van vloeistofdichte bestratingen en alle daarmee verband
houdende grondwerkzaamheden, welke vallen onder sector 3. Bouwbedrijf.
Dat deze activiteiten voor een deel worden uitbesteed is niet van
relevante betekenis voor de indeling in sector 3. Immers in de sfeer van
de bouwnijverheid/civieltechniek vormt het aannemerschap een algemeen
bekende en maatschappelijk aanvaarde functie, waaraan juist inherent is
dat in voorkomende gevallen bepaalde werkzaamheden door derden worden
verricht. De omstandigheid dat in de onderneming van eiseres de
werknemers uitsluitend op kantoor werkzaam zijn - wat daar ook van zij -
is evenmin relevant voor de indeling in een bepaalde sector. Immers deze
werkzaamheden zijn niet gericht naar derden toe.
De stelling namens eiseres dat hier sprake is van een samengestelde
onderneming waarop artikel 97l, tweede lid, van de WW ziet, moet de Raad
verwerpen.
Van een samengestelde onderneming is slechts sprake wanneer een
onderneming uit twee of meer afzonderlijke bedrijfsonderdelen bestaat,
welke onderdelen als zodanig in het maatschappelijk leven optreden en
dus voor de markt werkzaam zijn, dat wil zeggen aan derden producten
leveren of diensten bewijzen. Daarvan is in dit geval niet gebleken.
Gelet op de omschrijving van eiseres in het handelsregister, eiseresses
presentatie via het internet en de door verweerder ingestelde
onderzoeken is bij eiseres slechts sprake van een enkelvoudige
onderneming die aan derden voornamelijk producten en/of diensten van
civieltechnische aard levert.
De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet
met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter, en
mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in
tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 20 december 2004.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) W.J.M. Fleskens.
|
|