|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4737 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
Coöperatieve Vereniging [naam coöperatieve vereniging], h.o.d.n. [naam
bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 30 juli 2002 heeft verweerder, beslissende op het
bezwaarschrift van eiseres van 25 oktober 2000, bepaald dat eiseres met
ingang van 1 januari 2001 is aangesloten bij sector 3. Bouwbedrijf.
Namens eiseres heeft H.K. Knol, directeur bij PartnerConsult Adviesgroep
bv (hierna: PCA) op bij beroepschrift van 6 september 2002, met een
aanvulling van 13 december 2002 aangevoerde gronden beroep ingesteld
tegen evenbedoeld besluit.
Verweerder heeft bij brief van 13 januari 2003 van verweer gediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 5 januari 2005. Partijen zijn bij die gelegenheid niet
verschenen.
II. MOTIVERING
Eiseres keert zich in beroep gemotiveerd tegen haar herindeling bij het
na bezwaar genomen bestreden besluit van verweerder om haar vanaf 1
januari 2001 in te delen bij sector 3. Bouwbedrijf, op welke tijd nieuwe
uitzendregelgeving is gaan vigeren. Zij wenst ten tijde in geding vast
te houden aan indeling bij sector 52. Uitzendbedrijven, omdat zij,
hoewel haar werk in 2000 voor meer dan 50% van het totale premieloon op
jaarbasis aan sector 3. Bouwbedrijf kan worden toegerekend, haar
detacheringsbedrijf zich niet nadrukkelijk in één sector presenteert
en ook met het oog op haar concurrentiepositie op één lijn dient te
worden gesteld met een echt uitzendbedrijf.
Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven dat de nieuwe uitzendregelgeving
erop is gericht alleen de echte uitzendbedrijven in te delen in sector
52. Uitzendbedrijven. Ten aanzien van de detacheringsbedrijven waarvan
niet gesteld kan worden dat deze overwegend in één sector personeel
beschikbaar stellen is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van het
Uitzendbesluit, het voorbehoud gemaakt dat deze inhoudelijk op één
lijn zijn te stellen met reguliere uitzendbedrijven en
indelingstechnisch op dezelfde wijze als die uitzendbedrijven moeten
worden behandeld. Zodra over enig jaar voor meer dan 50% van de totale
loonsomactiviteiten worden ontplooid welke zijn toe te rekenen aan een
bepaalde sector, is sector 52. Uitzendbedrijven niet langer als de
aangewezen sector in beeld en dient indeling plaats te vinden in de
vaksector waarin meer dan 50% wordt verloond, onder toepassing van een
voorliggende onderzoeksperiode van in de regel 3 jaar, doch in casu een
verkorte periode wegens een eerst op 22 november 1999 gestart
werkgeverschap.
De Raad overweegt, onder verwijzing naar zijn motivering in een eerdere
“[naam bedrijf]” - uitspraak van 29 juli 2004, nr. 02/4781 met
identieke trekken, dat ook in het voorliggende geval terecht en op goede
gronden per 1 januari 2001 is besloten tot indeling van eiseres bij
sector 3. Bouwbedrijf. De uitzendregelgeving als hiervoor bedoeld
verdraagt zich er ook hier niet mee dat eiseres als verlangd bij sector
52. ingedeeld zou blijven, omdat te dezen functioneel en naar gespreide
aard van de activiteiten bezien in 2000 meer dan 50% van het totale
premieplichtig loon op jaarbasis onmiskenbaar aan één op zichzelf
staande andere sector kon worden toegerekend dan laatstgenoemde. Een
zekere fluctuatie van activiteiten in de navolgende jaren, dat bij een
doorstartend bedrijf kan optreden doch thans - anders wellicht dan bij
een in de toekomst gelegen nieuwe aanvraag -
niet direct in de
beoordeling kan worden betrokken, doet geen afbreuk aan de
deugdelijkheid van dit oordeel, onverlet enige repercussie op de
concurrentiepositie van het bedrijf van eiseres onder de gegeven
omstandigheden.
Naar het oordeel van de Raad kan het beroep van eiseres dan ook niet
slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|