|
Uitspraak
03/2970 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 9 mei 2003 heeft verweerder, beslissende op het
bezwaarschrift van eiseres van 29 november 2002, zijn besluit van 13
november 2002 herroepen, voor zover het gaat om de indeling van eiseres
in sector 42. Groothandel II met ingang van 1 januari 2003 en nader
bepaald dat eiseres met ingang van die datum is aangesloten bij sector
17. Detailhandel en ambachten.
Namens eiseres hebben J. de Jong en E. ten Cate, belastingadviseurs
werkzaam bij Deloitte & Touche op bij aanvullend beroepschrift (met
bijlagen) d.d. 25 juli 2003 aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen
evenbedoeld besluit.
Verweerder heeft bij brief van 21 augustus 2003 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 november
2004, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.M.E.
Schuttenhelm, belastingadviseur werkzaam bij Deloitte & Touche en
waar verweerder na schriftelijke kennisgeving niet is verschenen.
Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend.
Desverzocht heeft verweerder bij brief van 23 december 2004 een aantal
van de kant van de Raad gestelde vragen beantwoord.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23
maart 2005, waar voor eiseres is verschenen mr. Schuttenhelm, voornoemd,
terwijl verweerder zich, daartoe opgeroepen door de Raad, heeft doen
vertegenwoordigen door R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende, niet
bestreden, feiten.
Eiseres exploiteert een uitzendbureau, waarbij uitzendkrachten werkzaam
zijn op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690
van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin niet een beding als bedoeld in
artikel 7:691, tweede lid, van het BW is opgenomen.
De door de uitzendkrachten verrichte werkzaamheden zijn divers van aard
en behoren tot verschillende sectoronderdelen van het bedrijfsleven.
Een evenredige toerekening van de premieloonsommen over de jaren 2000
tot en met 2002 aan de onderscheidene sectoren heeft verweerder bij het
bestreden besluit tot de conclusie gevoerd dat eiseres voor meer dan 50%
van de premieloonsom op jaarbasis, werknemers ter beschikking stelt voor
het verrichten van werkzaamheden die van rechtswege ressorteren onder de
werkingssfeer van sector 17. Detailhandel en ambachten. Bij het
bestreden besluit is eiseres ingaande 1 januari 2003 ingedeeld bij deze
sector.
Eiseres bestrijdt deze conclusie met het betoog dat er geen
werkzaamheden worden verricht ten behoeve van bedrijven die vallen onder
de sector Detailhandel en ambachten. Zij doet daartoe aanvoeren dat
vanaf het jaar 2000 meer dan 50% van de loonsom van de uitzendkrachten
met name betrekking heeft op het inpakken/sorteren van
bloemstukjes/boeketten en bloembollen ten behoeve van opdrachtgevers die
vallen onder sector 42. Groothandel II.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 97l, eerste lid, van de Werkloosheidswet (WW) is een
werkgever van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 97k van
de WW door de minister vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden
behoren die hij als werkgever doet verrichten.
In het tweede lid van artikel 97l WW is bepaald dat indien een werkgever
werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren,
hij van rechtswege is aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden
behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan
loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
Voor uitzendbedrijven is van belang het Besluit indeling
uitzendbedrijven, Stcrt. 2000, 49, dat op 1 januari 2001 in werking is
getreden.
Tussen partijen is niet in geschil dat indeling van eiseres bij de
sector 52. Uitzendbedrijven niet aan de orde kan zijn wegens het
ontbreken van een beding als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, van
het BW in de arbeidsovereenkomsten met de uitzendkrachten.
De Raad stelt vast dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven
aan artikel 3 van het Besluit indeling uitzendbedrijven door te
beslissen dat eiseres arbeidskrachten ter beschikking stelt die sec
functioneel bezien voor meer dan 50% van het totale premieplichtige loon
op jaarbasis aan één sector kunnen worden toegerekend.
Het gaat, gelet op het betoog van de kant van eiseres, derhalve om de
vraag of verweerder terecht heeft beslist dat eiseres sec functioneel
bezien voor meer dan 50% op jaarbasis verloont aan werkzaamheden die
ressorteren onder sector 17. Detailhandel en ambachten (en huishoudelijk
personeel).
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.
De systematiek van de indeling in sectoren, zoals sinds 1 januari 2002
neergelegd in de bij en krachtens artikel 97k van de WW uitgevaardigde
Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren (Stcrt.
1997, 41 en Stcrt. 2003, 99) brengt mee dat de werkzaamheden die eiseres
in beroep heeft vermeld terecht zijn aangemerkt als ambachten, die geen
grootindustrie naast zich vinden, zoals bijvoorbeeld verzorgings- en
dienstverlenende bedrijven. Hierbij is niet relevant of de
opdrachtgevers van eiseres werkzaamheden doen verrichten die tot
indeling in sector 42 voeren. Bepalend is tot welke sector de
werkzaamheden van de uitzendkrachten van eiseres behoren, voorzover
betrekking hebbend op meer dan 50% van de premieloonsom van eiseres.
Vastgesteld moet worden dat deze werkzaamheden divers van aard zijn en
dat deze niet exact in de bijlage bij voormelde regeling worden
aangetroffen. Onder deze omstandigheden dient verweerder aan te sluiten
bij takken van bedrijf en beroep, waarin werkzaamheden worden verricht,
welke naar aard het meest met de werkzaamheden in die takken van bedrijf
en beroep overeenkomen.
Het voorgaande brengt mee dat het beroep van eiseres niet kan slagen.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist
als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|