|
Uitspraak
04/7206 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 10 november 2004 heeft verweerder, beslissende op het
bezwaarschrift van eiseres van 6 oktober 2000, bepaald dat eiseres met
ingang van 1 januari 2001 is aangesloten bij sector 45. Zakelijke
Dienstverlening III en tot die datum in sector 52. Uitzendbedrijven.
Namens eiseres heeft mr. W.J.M. van Ophuizen, advocaat te Lienden, op
bij beroepschrift van 20 december 2004, aangevuld op 10 februari 2005,
aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen evenbedoeld besluit.
Verweerder heeft bij brief van 10 maart 2005 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 juli
2005, waar voor eiseres is verschenen haar directeur [directeur] en
[financieel manager], financieel manager bij eiseres, bijgestaan door
mr. W.J.M van Ophuizen en N.C. de Vos, juridisch medewerker in de
praktijk van mr. Van Ophuizen, en waar verweerder zich - na voorafgaand
bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Het beroep van eiseres richt zich op de weigering van verweerder haar
eerder dan per 1 januari 2001 in te delen in sector 45. Zakelijke
Dienstverlening III.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 6 augustus 1998 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat
zij per 1 augustus 1998 is aangesloten bij de sector 52.
Uitleenbedrijven, risicopremiegroep Detacheringsbedrijven. Het tegen dit
besluit aangetekend bezwaar is door eiseres bij brief van 17 november
1998 ingetrokken. Naar aanleiding van het per 1 januari 2001 in werking
getreden Besluit indeling uitzendbedrijven (Stcrt. 2000, 49) heeft
verweerder eiseres op 11 oktober 2000 de beslissing tot wijziging van
haar indeling per 1 januari 2001 naar de sector 45. Zakelijke
Dienstverlening III gezonden. In reactie op de vooraankondiging hiertoe
heeft eiseres bij brief van 6 oktober 2000 te kennen gegeven hiermee
volledig in te stemmen. Tevens heeft eiseres hierbij te kennen gegeven
reeds destijds de mening te zijn toegedaan dat zij niet juist was
ingedeeld en verzocht zij om premiecorrecties over de jaren 1998, 1999
en 2000. De brief van eiseres van 6 oktober 2000 is door (de
rechtsvoorganger van) verweerder aangemerkt als bezwaarschrift tegen het
besluit van 11 oktober 2000 en dat bezwaar is bij besluit van 19 maart 2001 ongegrond verklaard. Het door eiseres tegen dit besluit
ingestelde beroep is door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van
18 december 2003 (LJN AO1105) niet-ontvankelijk verklaard en het
beroepschrift van eiseres is doorgezonden aan verweerder om het als
bezwaarschrift tegen het besluit van 19 maart 2001 in behandeling te
nemen. Daartoe heeft de Raad overwogen dat de brief van eiseres van 6
oktober 2000 moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen op
het rechtens verbindend geworden besluit van verweerder van 6 augustus
1998. Het besluit van 19 maart 2001 bevat naar inhoud en strekking een
weigering het verzoek van eiseres te honoreren en is derhalve een
zogeheten primair besluit.
In dit geding staat nu ter beoordeling het besluit van verweerder van 10
november 2004 waarin het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 19
maart 2001 ongegrond is verklaard. Hiertoe heeft verweerder met name
overwogen dat er geen nieuwe indelingstechnisch relevante feiten en
omstandigheden zijn gebleken die een ander standpunt of een nader
onderzoek rechtvaardigen.
Eiseres is van mening dat de indeling in sector 52. Uitleenbedrijven per
1 augustus 1998 onjuist was en dat er strijd is met het
gelijkheidsbeginsel, nu haar zusterondernemingen wel voor 1 januari 2001
waren ingedeeld in sector 45. Zakelijke Dienstverlening III.
De Raad overweegt als volgt.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere
afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij
het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het
bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat
daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van
deze bevoegdheid zijn eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de
weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit.
Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de
dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van
rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de
bestuursrechter in zulk een geval uit te gaan van het oorspronkelijke
besluit en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van
nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het
bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het
oorspronkelijke besluit te herzien.
Naar het oordeel van de Raad is van nieuwe feiten of omstandigheden niet
gebleken. De door eiseres aangevoerde argumenten met betrekking tot de
in haar ogen onjuiste indeling per 1 augustus 1998 hadden kunnen worden
aangevoerd in de bezwaarprocedure tegen het besluit 6 augustus 1998,
welke procedure door eiseres zelf is beëindigd door intrekking van het
bezwaar, dan wel zien op de gevolgen van de inwerkingtreding van het
Besluit indeling uitzendbedrijven. Dit laatste gegeven is juist de reden
geweest voor de herindeling van eiseres per 1 januari 2001, waartegen
als zodanig door eiseres geen bezwaren zijn ingebracht. Dat in de
toelichting bij genoemd besluit is vermeld dat, wegens de ontwikkelingen
in de uitzendbranche, de indeling via het Uitleenbesluit van 1958 niet
meer in alle gevallen de wenselijke indeling teweegbracht en daarom het
nieuwe Besluit tot stand is gebracht, maakt niet dat het oude Besluit
zijn werking heeft verloren voor de jaren hier in geding en ook niet dat
daarmee is gegeven dat de indeling gebaseerd op het oude Uitleenbesluit
voor de jaren in geding onjuist zou zijn.
Tevens heeft de Raad bij zijn oordeel betrokken het door verweerder
gehanteerde Datumbeleid indelingen dat slechts in bijzondere
omstandigheden herindeling met terugwerkende kracht mogelijk maakt. Van
dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken.
Nu van nieuwe feiten of omstandigheden niet is gebleken, bestond er voor
verweerder terecht geen aanleiding terug te komen van zijn besluit van 6
augustus 1998 en zal het beroep van eiseres ongegrond worden verklaard.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van M.
Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 september
2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) M. Renden.
|
|