|
Uitspraak
04/5851 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de vennootschap onder firma Loon- en Grondverzetbedrijf [bedrijfsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 15 september 2004 heeft verweerder ongegrond verklaard
de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 12 mei 2004, waarbij
eiseres met ingang van 1 juli 2004 is heringedeeld van sector 1.
Agrarisch bedrijf naar sector 3. Bouwbedrijf.
Namens eiseres heeft J. Tuinenga, werkzaam bij Cumela Nederland te
Nijkerk, op bij aanvullend beroepschrift van 29 november 2004
aangevoerde gronden tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Raad.
Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 27 december 2004,
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 november
2005, waar voor eiseres zijn verschenen haar bedrijfsleider K. Alberts
en J. Tuinenga, voornoemd, en waar voor verweerder is verschenen R.J.L.
van Wijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Eiseres houdt zich onder meer bezig met het afwerken van dijklichamen.
Deze werkzaamheden bestaan uit het egaliseren van dijklichamen en het
vervolgens inzaaien van deze dijklichamen.
Verweerder heeft bepaald dat eiseres met ingang van 1 juli 2004 van
rechtswege is aangesloten bij sector 3. Bouwbedrijf. Daarbij heeft
verweerder artikel 97l, tweede lid, van de Werkloosheidswet (WW)
toegepast, in welk artikellid is bepaald dat, indien een werkgever
werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren,
hij van rechtswege is aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden
behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan
loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
Naar de mening van verweerder dienen evenbedoelde werkzaamheden aan
dijklichamen te worden aangemerkt als zijnde civieltechnisch van aard.
Eiseres meent echter dat deze werkzaamheden cultuurtechnisch van aard
zijn, zodat zij aangesloten dient te blijven bij sector 1. Agrarisch
bedrijf.
Mede gelet op het verhandelde te zijner zitting stelt de Raad vast dat
tussen partijen niet in geschil is dat, indien de werkzaamheden die
eiseres uitvoert aan dijklichamen, als zijnde van civieltechnische aard
moeten worden aangemerkt, eiseres in het licht van het bepaalde in
artikel 97l, tweede lid, van de WW terecht is ingedeeld in sector 3.
Bouwbedrijf.
Met partijen is de Raad van oordeel dat voor het antwoord op de vraag of
de werkzaamheden van eiseres aan dijklichamen cultuurtechnisch dan wel
civieltechnisch van aard zijn, bepalend zijn de criteria/richtlijnen met
betrekking tot indeling van cultuurtechnische en civieltechnische
bedrijven, zoals vervat in het schrijven van de voormalige Sociale
Verzekeringsraad van 3 december 1992.
In dit schrijven is onder meer het volgende vermeld:
“1. Uitgangspunt is de aard van de werkzaamheden (primaire
doelstelling).
In twijfelgevallen kan daarnaast gekeken worden naar de aard van de
opdrachtgever.
2. Gebruikte definities:
- civieltechnische werkzaamheden: de aanleg van verhardingen, riolering
en gebouwen e.d. waarvoor een bouw- of aanlegvergunning is vereist,
alsmede het hiermee samenhangende onderhoud;
- cultuurtechnische werkzaamheden: de aanleg van groenvoorzieningen, de
daarmee samenhangende grondwerkzaamheden (bovenste grondlaag) en
drainage, alsmede het hiermee samenhangende onderhoud;
- groen: “levend materiaal”.
3. De volgende activiteiten worden beschouwd als zijnde civieltechnische
werkzaamheden en daarmee behorende tot de bouwnijverheid: grondboringen,
bronbemalingen, kabels, buisleidingen, grondwerk (t.b.v. civieltechn.
bestemming), wegenbouw, markeringen, sloopwerken, waterbouwkundige
werken, funderingswerken en verhuur van bemand materieel voor
civieltechnische activiteiten behoudens:
A. de aanleg van buisleidingen in eigen beheer voor drainage t.b.v.
landbouw, bewerking van grond en zand t.b.v. een agrarische bestemming
en de incidentele aanleg van duikers t.b.v. de ontsluiting van een
landbouwperceel, welke als cultuurtechnische werkzaamheden opgevat
moeten worden;
B. het aanleggen, verbeteren of onderhouden van sportvelden en andere
recreatieobjecten alsmede alle andere grondwerken t.b.v.
cultuurtechnische, civieltechnische, sport-, recreatie- en andere objecten, beplantingen en
groenstroken langs wegen. Hierbij is het uitgangspunt dat, indien er een
bouw-/aanlegvergunning vereist is, het civieltechnische werkzaamheden
zijn, met uitzondering van de aanleg en het onderhoud van het groen
alsmede drainage en de bovenste grondlaag t.b.v. het groen, welke
cultuurtechnische activiteiten zijn;
C. de te onderscheiden cultuurtechnische werkzaamheden bij inpoldering
en ruilverkaveling: de ontsluiting van gronden en ruilverkaveling dienen
als cultuurtechnische werkzaamheden opgevat te worden indien er sprake
is van daarmee samenhangende grondbewerking (ploegen, eggen, zaaien,
egaliseren van de toplaag van de grond ten behoeve van de plantaardige
bestemming, etc.) en als civieltechnische werkzaamheden indien er sprake
is van grondverwerking in de zin van landinrichting (de aanleg van
wegen, watergangen en gemalen).”
Ter toelichting op het hiervoor onder 3 B en C gestelde is in het
schrijven van de Sociale Verzekeringsraad vermeld dat in geval van partiële
aanneming en uitvoering van werken (sportvelden, recreatieparken,
wegenbouw en ruilverkaveling) onverkort het onderscheid in
civieltechnisch en cultuurtechnisch werk kan worden gehanteerd, als
gedefinieerd onder 2. Wanneer bovengenoemde werkzaamheden door één
onderneming worden aangenomen en uitgevoerd, zal het onderscheid in
civiel-/cultuurtechnisch werk gehanteerd kunnen worden voorzover de
deelwerkzaamheden functioneel van elkaar onderscheiden kunnen worden.
Het schrijven vermeldt tot slot ook nog dat herindelingen in beginsel
plaatsvinden per 1 januari van het opvolgende jaar c.q. niet met terugwerkende kracht.
Gelet op de hiervoor vermelde criteria/richtlijnen is de Raad van
oordeel dat de werkzaamheden die eiseres uitvoert aan dijklichamen
civieltechnisch van aard zijn. Het aanleggen van een dijklichaam is het
tot stand brengen van een waterbouwkundig werk, hetgeen zonder meer als
een werkzaamheid van civieltechnische aard moet worden aangemerkt. De
werkzaamheden die eiseres uitvoert, vallen niet onder de onder 3 A, B en
C genoemde uitzonderingen, in het bijzonder niet onder de onder B
genoemde uitzondering. De Raad merkt de werkzaamheden van eiseres niet
aan als het aanleggen en onderhouden van groen. Hierbij acht de Raad
doorslaggevend dat de werkzaamheden van eiseres niet functioneel kunnen
worden onderscheiden van de aanleg van het dijklichaam, waarvoor een
aanlegvergunning is vereist. Door eiseres is niet bestreden dat zij
menskracht en materieel beschikbaar stelt aan de hoofdaannemer, die zich
jegens zijn opdrachtgever heeft verbonden om een dijklichaam te
realiseren volgens een bestek dat voorziet in de afwerking van dat
dijklichaam op een wijze als eiseres pleegt te verrichten.
Van de van de aanleg van een dijklichaam te onderscheiden activiteiten,
bijvoorbeeld het aanleggen van een groenvoorziening na de totstandkoming
(afwerking) van het dijklichaam, is geen sprake.
Met betrekking tot de datum met ingang waarvan eiseres is ingedeeld,
overweegt de Raad dat het schrijven van de Sociale Verzekeringsraad zich
niet verzet tegen een indeling per een andere datum dan 1 januari. Dit
schrijven vermeldt slechts dat in beginsel een indeling per 1 januari
plaatsvindt. Nu eiseres haar beroepsgrond met betrekking tot de datum
waarop zij is heringedeeld, niet nader heeft onderbouwd, ziet de Raad
onvoldoende grond om het bestreden besluit op dit punt voor onrechtmatig
te houden.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van eiseres ongegrond dient te
worden verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. B.J. van
der Net en mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|