|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/3654 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde] B.V., gevestigd te [plaatsnaam], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 januari 2004 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 7 oktober 2003, waarbij aan
haar een boete ten bedrage van € 2.377,-- is opgelegd over het jaar
2002 in verband met het niet nakomen van de verplichting vervat in
artikel 13, derde lid, van het Loonadministratiebesluit
(de zogeheten 5%-regeling).
De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft bij uitspraak van 4 mei 2005,
registratienummer 04/267, het namens gedaagde tegen dat besluit
ingestelde beroep gegrond verklaard, voorzover gericht tegen de hoogte
van de boete, dat besluit vernietigd, voorzover het de boete betreft, de
boete vastgesteld op € 1.585,--, het beroep voor het overige ongegrond
verklaard en appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 30 juni 2005
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari
2006, waar voor appellant is verschenen mr. D.A. Rusman, werkzaam bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde zich
niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De bij zijn hiervoor vermelde besluit van 28 januari 2004 gehandhaafde
boete over het jaar 2002 heeft appellant aan gedaagde opgelegd in
verband met overtreding van artikel 13, derde lid, van het
Loonadministratiebesluit, in welk artikellid is bepaald dat de werkgever
verplicht is uit eigen beweging appellant mededeling te doen van elke
verandering in de loonsom gedurende het premietijdvak, welke er toe
leidt dat het feitelijk verloonde bedrag mee dan 5%, doch ten minste een
bedrag van € 2.269,-- hoger is dan het loonbedrag waarop de
voorschotnota is gebaseerd.
Bij het opleggen van de boete van € 2.377,-- heeft appellant in
aanmerking genomen dat gedaagde voor de derde maal de zogeheten
5%-regeling heeft overtreden. In de visie van appellant is deze boete in
overeenstemming met het Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale
Verzekering en zijn Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet
Sociale Verzekering 2002.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gedaagde niet gevolgd in
haar opvatting dat de overtreding van de 5%-regeling haar niet kan
worden verweten, omdat haar administratiekantoor bij vergissing geen
opgave heeft gedaan. Evenmin heeft de rechtbank gedaagde gevolgd in haar
standpunt dat er geen sprake is van opzet en/of grove schuld. Wel heeft
de rechtbank gedaagde gevolgd in haar standpunt dat de boete naar een te
hoog bedrag is vastgesteld. Daartoe heeft zij het volgende overwogen:
“Gelet op het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van het Besluit
Toepassing neemt verweerder bij overtreding van de 5%-regeling opzet of
grove schuld aan indien de werkgever in de vijf jaar voorafgaand aan de
overtreding reeds twee of meerdere bestuurlijke boeten heeft opgelegd
gekregen ter zake het niet nakomen van de 5%-regeling. De rechtbank is van oordeel dat dit beleid van verweerder
in beginsel niet als onredelijk kan worden aangemerkt. Verweerder heeft
daarnaast de boete ook nog verhoogd met 50% op grond van artikel 5,
eerste lid, van het Boetebesluit werkgevers CSV. Het totaal komt met
inachtneming van artikel 15 van het Besluit Toepassing neer op een boete
van 37,5% van het premieverschil.
De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de onderhavige recidive in
verweerders beleid aldus tot een dubbele verzwaring van de sanctie
leidt: eerst door van verzuim naar vergrijp over te schakelen, waarmee
reeds een behoorlijke verhoging van het boetepercentage naar 25%
mogelijk wordt, en ten tweede door de 50%-verhoging toe te passen.
Bovendien acht de rechtbank het verschil tussen 7,5% bij een tweede
overtreding en 37,5% voor een derde overtreding te groot en niet
evenredig met de ernst van de gedraging in dit geval.
De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande, dat de door
verweerder opgelegde boete niet in stand kan blijven. Het beroep dient
voor zover het de hoogte van de boete betreft gegrond te worden
verklaard.
Nu het om een boete (criminal charge) gaat zal de rechtbank met
toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak
voorzien, en zijn uitspraak in de plaats stellen van het bestreden
besluit voorzover het de hoogte van de boete betreft. De rechtbank acht
deze derde overtreding van de 5% regeling in vijf jaar voldoende en
evenredig bestraft met een boete van 25% van het premieverschil van €
6.342,16 = € 1.585,--. De rechtbank sluit hiermee aan bij de
vergrijpboete van artikel 15 van het Besluit Toepassing, waarin de
rechtbank de huidige recidive reeds voldoende verdisconteerd acht. Ten
overvloede voegt de rechtbank hieraan toe, dat de 37,5% boete wel op
zijn plaats kan zijn bij een volgend vergrijp met betrekking tot de
5%-regeling binnen vijf jaar.”
In hoger beroep heeft appellant het volgende aangevoerd:
“In dit geval hebben wij geoordeeld dat sprake is van opzet/grove
schuld en, aangezien het de derde overtreding ingevolge de 5%-regeling
betreft, de boete conform het Boetebesluit en de CSV op 37,5%
vastgesteld.
Op grond van artikel 12 lid 4 CSV en artikel 6 van het Boetebesluit
dient de hoogte van de boete te worden afgestemd op de ernst van de
gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de
werkgever verkeert. Het voorgaande heeft geleid tot het Besluit
toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering d.d.
19 december 2001, Stcrt. 2002,35 (Toepassingsbesluit). Op grond van
artikel 15 van het Toepassingsbesluit kan de vastgestelde boete worden
verlaagd of verhoogd aan de hand van het bepaalde in het
Toepassingsbesluit. Na toetsing van de opgelegde boete aan het
Toepassingbesluit, hebben wij geconstateerd dat de boete op goede
gronden op 37,5% is vastgesteld.
Ondanks het voorgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat, hoewel zij van
oordeel is dat het door ons gevoerde beleid zoals verwoord in het
Toepassingsbesluit niet onredelijk is en zij zich kan vinden in de
kwalificatie opzet/grove schuld, de opgelegde boete niet evenredig is
met de ernst van de gedraging.
Wij zijn van oordeel dat de rechtbank hiermee miskent dat door rekening
te houden met de omstandigheid of sprake is van eerdere overtredingen en
of sprake is van opzet/grove schuld dan wel slechts van een verzuim het
Toepassingsbesluit reeds voorziet in een afstemming van de op te leggen
boete op de ernst en de mate van verwijtbaarheid van het handelen.
Bovendien is in bepaalde situaties ook sprake van maximering van de
boetes. Naar ons oordeel diende de rechtbank zich dan ook te onthouden
van een matiging aangezien het evenredigheidsbeginsel reeds voortvloeit
uit de bepalingen van het Toepassingsbesluit.”
Gelet op artikel 10, eerste lid, van meergenoemd Toepassingsbesluit,
waaruit volgt dat de onderwerpelijke overtreding als een vergrijp moet
worden gezien, in samenhang met het schema van artikel 15 van dit
besluit stelt de Raad vast dat het besluit in het geval van gedaagde
voorziet in een boete van 37,5%. Beslissend is niet of de overtreding
begaan in 2002 als een eerste vergrijp moet worden aangemerkt.
Beslissend is dat er sprake is van een derde overtreding. Anders dan de
rechtbank heeft overwogen ziet de Raad hierin geen dubbele verzwaring.
Het moge zo zijn dat er een aanmerkelijk verschil is tussen een boete
bij een tweede overtreding, althans voorzover die tweede overtreding als
een tweede verzuim is aangemerkt, en een boete bij een derde
overtreding, doch daarin ziet de Raad geen grond voor een matiging van
de in overeenstemming met het Toepassingsbesluit opgelegde boete. Niet
uit het oog mag worden verloren dat gedaagde in een tijdsbestek van vijf
jaar drie maal de 5%-regeling heeft overtreden. Van haar had mogen
worden veracht dat zij - zo al niet na de eerste overtreding - in ieder
geval na de tweede overtreding maatregelen had genomen om herhaling te
voorkomen. De Raad is dan ook van oordeel dat niet kan worden staande
gehouden dat de opgelegde boete niet evenredig is met de ernst van de
gedraging.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen
uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal het
inleidend beroep alsnog ongegrond verklaren.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van mr. A.
Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A. Kovács.
|
|