|
Uitspraak
05/2594 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 maart 2005 heeft verweerder de indelingsbeslissing
van 9 februari 2005 deels herroepen en het bezwaar van eiseres tegen die
beslissing voor het overige ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft C.H. Heijstek, als controller werkzaam bij
eiseres, namens eiseres beroep ingesteld bij de Raad.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 februari
2006, waar namens eiseres is verschenen C.H. Heijstek, terwijl
verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde R.J.L.
van Wijk, fiscaal technisch medewerker bij de Belastingdienst.
II. MOTIVERING
Bij indelingsbesluit van 22 april 1997 heeft verweerder eiseres
medegedeeld dat haar onderneming met ingang van 1 januari 1997 is
ingeschreven bij sector 44. Zakelijke dienstverlening II.
Bij indelingsbesluit van 9 februari 2005 heeft verweerder eiseres
medegedeeld dat haar onderneming met ingang van 1 juli 2005 niet langer
is ingeschreven bij sector 44. Zakelijke dienstverlening II, maar bij
sector 20. Havenbedrijven.
Bij besluit van 17 maart 2005 heeft verweerder dat besluit deels
herroepen en de ingangsdatum van de inschrijving bij sector 20.
Havenbedrijven nader bepaald op 1 januari 2005, onder handhaving tot
genoemde datum van de bestaande niet rechtmatige inschrijving in sector
44. Zakelijke dienstverlening II. Voor het overige is het bezwaar
ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt
gesteld dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om aan de
uitschrijving bij voornoemde sector verdergaande terugwerkende kracht te
verlenen.
In beroep heeft eiseres zich evenals in bezwaar op het standpunt gesteld
het weliswaar eens te zijn met de inschrijving bij sector 20.
Havenbedrijven, maar zich niet te kunnen verenigen met de datum van die
inschrijving. Daartoe heeft eiseres aangevoerd dat zij aan de hand van
het besluit van 22 april 1997 nooit duidelijk de betekenis van de
foutieve indeling heeft kunnen overzien. De omschrijving bij aanmelding
bij verweerder, te weten ‘het opzetten, begeleiden en uitvoeren van
(verkoop)acties voor bedrijven’ heeft nimmer betrekking gehad op de
eigen activiteiten van eiseres, maar op die van haar opdrachtgevers.
Eiseres heeft zich nimmer beziggehouden met werkzaamheden waarbij een
inschrijving in sector 44. Zakelijke dienstverlening II past, en zij
verzoekt om die reden inschrijving in sector 20. Havenbedrijven met
ingang van 1 januari 1999, waarbij zij rekening houdt met de
premieverjaringstermijn als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
Ingevolge de artikelen 97l en 97m van de Werkloosheidswet (voorheen
gebaseerd op de artikelen 52 en 53 van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997) is verweerder verantwoordelijk voor het indelen dan
wel herindelen van werkgevers bij sectoren. Met betrekking tot het nemen
van beslissingen inzake de indeling van werkgevers heeft verweerder
beleidsregels geformuleerd die zijn neergelegd in het Besluit
datumbeleid indelingen (Besluit van het Lisv van 4 maart 1998, Stcrt.
1998, 51).
Deze beleidsregels luiden, voorzover van belang, als volgt:
“a. Wanneer overgang van een werkgever naar een andere sector dan de
sector waarbij die werkgever is aangesloten is aangewezen, vindt deze
overgang zo spoedig mogelijk plaats per 1 januari of 1 juli van enig
jaar, mits vóór de betreffende datum een schriftelijke
indelingsbeslissing aan de betrokken werkgever is gezonden.
b. Wanneer een werkgever zelf verzoekt om de juistheid van de op dat
moment voor hem geldende indeling te bezien dan wel gericht verzoekt om
herindeling naar een andere sector, gelden eveneens de data 1 januari of
1 juli direct volgend op de datum, waarop werkgever zijn verzoek heeft
gedaan.
(...)
d. Indelen van een werkgever met terugwerkende kracht tot een datum
gelegen vóór de onder a en b en de daaraan onder c gekoppelde data kan
plaatsvinden zowel ten voor- als ten nadele van de betrokken werkgever.
Ten voordele: dit kan zich voordoen bijvoorbeeld als in het verleden is
nagelaten na een daartoe strekkend verzoek van een werkgever of na
melding van een wijziging in de bedrijfsuitoefening een
indelingsonderzoek in te stellen en achteraf komt vast te staan dat
reeds toen herindeling aangewezen zou zijn geweest.
(...)
g.Het bepaalde onder a t/m d en onder f laat onverlet de mogelijkheid om
op grond van bijzondere omstandigheden (met name overwegingen van
redelijkheid en zorgvuldigheid) daarvan af te wijken. Dit kan zich
voordoen, wanneer een werkgever door overlegging van contracten e.d.
voldoende aannemelijk kan maken, dat hij zich reeds voor langere termijn
heeft gebonden op basis van de (substantieel lagere) sv-premies, die hij
bij de sector, waar hij oorspronkelijk was aangesloten, betaalt; in dat
geval kan de datum van herindeling met een half jaar worden
opgeschoven.”
De Raad stelt vast dat, gelet op het feit dat namens eiseres eerst in
december 2004 de bestaande sectorindeling ter discussie is gesteld,
verweerder in overeenstemming met onderdeel b en d van zijn datumbeleid
heeft gehandeld door met ingang van 1 januari 2005 tot inschrijving van
eiseres bij sector 20. Havenbedrijf over te gaan. Mede gelet op de eigen
verantwoordelijkheid van de werkgever voor het verstrekken van voor de
indeling van de onderneming relevante informatie, ziet ook de Raad in
hetgeen door eiseres is aangevoerd geen bijzondere omstandigheden om aan
de gewijzigde sectorindeling verdergaande terugwerkende kracht te
verlenen.
Gelet op het vorenstaande kan het beroep van eiseres niet slagen.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 16 maart 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|